30-06-07

Hoeveel is uw onderneming waard?

Deze tekst werd geschreven in juni 2005 in opdracht van Publitec voor ING Onderneming

 

Hoeveel is uw onderneming waard? 

Globalisering en toenemende concurrentie, economische onzekerheid, schaalproblemen, of gewoon willen genieten van een welverdiende rust… er zijn heel wat redenen waarom familiale ondernemers overwegen om hun bedrijf te verkopen. Ze hebben vaak maar een brandende vraag op de lippen: “hoeveel is mijn onderneming waard?”. Een simpele vraag, waarop helaas geen eenvoudig antwoord bestaat.

 

Het departement Mergers & Acquisitions (M&A) van ING, dat ondernemers begeleidt bij de verkoop van hun bedrijf, heeft een schat van ervaring opgedaan op het vlak van financiële waardebepaling van ondernemingen. Maar elke verkoop is een verhaal apart. Want net zoals geen twee ondernemingen dezelfde zijn, is ook geen enkele waardebepaling identiek, omdat het resultaat afhangt van een myriade interne en externe factoren. Elke waardebepaling is bijgevolg een theoretische benadering die dient als leidraad bij de onderhandelingen over de verkoop van een onderneming.

 

Een houvast tijdens onderhandelingen

 

Omdat bedrijven zo verschillend zijn, bestaan er ook geen universele waarderingsmethodes. Er zijn wel dertig modellen om de waarde van een onderneming te bepalen. Vaak worden verschillende methodes gebruikt en een gemiddelde gemaakt van de resultaten, maar ook die aanpak heeft beperkingen. De prijs die de verkoper uiteindelijk krijgt, kan immers grondig afwijken van de marktwaarde, die zich situeert binnen de prijsvork die tot stand komt op basis van de verschillende biedingen van de kandidaat-kopers.

 

In dit artikel willen we ons concentreren op twee methodes die het vaakst worden gebruikt bij de waardebepaling van familiale ondernemingen: de methode van het gecorrigeerde netto actief, en de rendementswaardebepaling.  

Volgens René Rogiers, Head M&A Middle Market ING, geldt bij verkoopsonderhandelingen een gulden regel: “Wie een contract onderhandelt, moet in de huid van de tegenpartij kruipen. Elke kandidaat-koper die een bedrijf wenst over te nemen, zoekt een houvast tijdens de onderhandelingen. Hij wil precies weten wat hij krijgt voor de prijs die hij betaalt. Heel concreet koopt hij het gecorrigeerd netto actief van de onderneming: de eigen middelen, gecorrigeerd met eventuele meerwaarden. Die activa kan hij toetsen aan de hand van expertises, terwijl de eigen middelen uit de jaarrekening blijken. Daarom is het gecorrigeerd netto actief een belangrijk element van houvast.”

 

Het gecorrigeerd netto actief

 

Laten we die methode even nader bekijken. Ze vertrekt van de netto activa zoals die voorkomen in de balans van de onderneming: kapitaal, plus reserves, plus overgedragen winsten. De verschillende activarubrieken dienen echter beoordeeld te worden op hun werkelijke waarde. Daarom moet elke afwijking tussen de boekhoudkundige en de reële waarde in rekenschap worden gebracht, hetgeen automatisch leidt tot een vermeerdering of een vermindering ten opzichte van het eigen kapitaal op de balans. Opgelet: de meerwaarden zijn op het ogenblik van hun realisatie onderhevig aan een belasting van 34%. Die fiscale latentie maakt deel uit van de onderhandelingen: is ze voor rekening van de koper, de verkoper, of wordt een verdeelsleutel overeengekomen? Bovendien moet aan de passiefzijde worden nagegaan of er wel voldoende voorzieningen werden aangelegd, bijvoorbeeld met het oog op grote herstellingen, verschuldigde belastingen, lopende rechtsgedingen, enz. Op basis van al die correcties, wordt het gecorrigeerd netto actief bepaald.

 

Samengevat:

Gecorrigeerd netto actief = activa (volgens de handelswaarde) – opeisbare schulden (inclusief de reële voorzieningen) + de fiscale aanpassingen.  

Het belang van de cashflow

 

Uiteraard is dit statische benadering die maar een deel van het verhaal blootlegt. René Rosiers: “Een cruciale factor bij de waardebepaling van een bedrijf is de mate waarin het op een duurzame en permanente wijze cashflow genereert. Die cashflow is nodig voor de financiering van een hele reeks componenten: interesten op kredieten, afschrijvingen op machines en installaties, het aanleggen van provisies, belastingen op de geboekte resultaten, dividenden voor de aandeelhouders, het aandikken van het eigen vermogen om de onderneming te beschermen tegen eventuele tegenslagen… kortom, de cashflow, of de toegevoegde waarde die voortvloeit uit de bedrijfsactiviteit, is bepalend voor de waarde van de onderneming.”

De kandidaat-koper houdt daarbij zowel rekening met het verleden, het heden, als de toekomst. Hij bestudeert de cashflows van de voorbij drie tot vijf jaar, kijkt nauwkeurig naar de tussentijdse resultaten van het lopende boekjaar, en probeert zich een oordeel te vormen over de toekomstige resultaten. De mate waarin de kandidaat-koper al dan niet overtuigd is dat de onderneming goede cashflowvooruitzichten heeft, zal de waarde positief of negatief beïnvloeden.

“Elke overnemer wil binnen een redelijke termijn zijn investering terugverdienen uit de cashflow van de onderneming die hij koopt,” zegt René Rosiers. “Naargelang de sector en de specifieke omstandigheden schommelt die termijn tussen vijf en tien jaar, met tien jaar als een absoluut maximum. Die horizon wordt korter naarmate de volatiliteit van het economisch leven toeneemt. In periodes van hoogconjunctuur is hij langer, in een laagconjunctuur korter.”

 

De methode van de rendementswaardebepaling

 

De rendementswaarde van een onderneming wordt bepaald door hetzij de EBIT (winst voor aftrekking van interesten en belastingen), hetzij de EBITDA (winst voor aftrekking van interesten, belastingen en afschrijvingen) te vermenigvuldigen met een bepaalde multiple die afhankelijk is van een reeks factoren, zoals de economische sector waarin het bedrijf actief is, de specifieke omstandigheden waarin de onderneming verkeert, het cyclisch karakter van de EBIT… “Wanneer we het rendement van ondernemingen uit verschillende sectoren met elkaar willen vergelijken, nemen we meestal de EBIT als uitgangspunt. We houden dan geen rekening met de afschrijvingen omdat vervangingsinvesteringen nu eenmaal nodig zijn om een onderneming fit te houden,” legt René Rosiers uit. “Voor een onderneming met een constante of licht stijgende EBIT zal de multiple zwaarder doorwegen dan voor een bedrijf waarvan de resultaten in pieken en dalen evolueren.”

Tot slot dient men bij de rendementswaardebepaling ook nog rekening te houden met de netto financiële positie van de onderneming, dat is het verschil tussen de financiële tegoeden en de financiële schulden. Een positief saldo wordt bij het eindresultaat (EBIT x multiple) geteld, een negatief saldo wordt in mindering gebracht.

 

Goodwill: een immateriële meerwaarde

 

Eens we de rendementswaarde van de onderneming hebben bepaald, vergelijken we die met het gecorrigeerd netto actief. Een positief saldo levert goodwill op die een positieve weerslag heeft op de prijs van de onderneming. “De goodwill die de koper betaalt, moet redelijk zijn,” zegt René Rosiers. “Het gecorrigeerd netto actief heeft de koper in handen, maar goodwill is puur immaterieel, er staat niets concreet tegenover. Goodwill is enkel gebaseerd op het vermoeden dat de onderneming in de toekomst op dezelfde manier cashflow zal genereren als in het verleden. Daarom moet er altijd een gezonde verhouding zijn tussen de goodwill en de prijs die uiteindelijk wordt betaald. Een koper zal alleen maar bereid zijn dieper in zijn portemonnee te tasten wanneer hij gelooft in de toekomstige ontwikkelingskansen van de onderneming.”

 

Span uw verwachtingen niet te hoog

 

Om teleurstellingen te vermijden, is het aangewezen om bij de waardebepaling van uw onderneming uit te gaan van conservatieve schattingen. Stel u ambitieus op tijdens de onderhandelingen, vecht om het uiterste uit de kan te halen, maar leg de lat niet te hoog en  koester geen overdreven verwachtingen. René Rosiers: “Reken niet op een meerwaarde voor machines en installaties maar ga uit van de boekwaarde. Voor de waardebepaling van de gebouwen kunt u een beroep doen op expertschatters, maar voor alle veiligheid baseert u zich beter op de gedwongen verkoopswaarde. Waardeer voorraden die jonger zijn dan een jaar aan de historische aanschaffingswaarde en begin vanaf het tweede jaar fors af te waarderen Leg een voorziening aan voor klanten die na 120 dagen hun factuur nog niet hebben betaald. Ga ervan uit dat u de fiscale latentie zal dragen en trek 34% af van de meerwaarden. Zo komt u tot een weliswaar conservatieve, maar ook realistische schatting van de waarde van uw onderneming.”

 

De invloed van specifieke factoren

 

Onafhankelijkheid

Naast die algemene richtlijnen die we hierboven op een korte en vereenvoudigde manier hebben behandeld, zijn er enkele specifieke elementen die de waarde van een onderneming fors kunnen beïnvloeden. Zo mag een onderneming niet te afhankelijk zijn van een bepaalde klant. “Uw bedrijf mag nog zo’n mooie resultaten neerzetten, van zodra het meer dan 10% afhankelijk wordt van één klant, moet er een knipperlicht gaan branden. Vanaf 25% slaat het licht op rood. Dat is een zware overtreding waarvoor u op termijn een zeer zware prijs betaalt: uw onderneming is onverkoopbaar. Tenzij u erin slaagt die afhankelijkheidsgraad terug te schroeven tot aanvaardbare normen, maar dat is geen eenvoudige opdracht.”

 

Zuivere balans

Als er binnen uw onderneming zwart geld circuleert, bijvoorbeeld in de vorm van niet aangegeven lonen voor bijzondere prestaties, bezondigt u zich niet alleen aan een zware overtreding, maar legt u ook een zware hypotheek op de verkoopbaarheid van uw onderneming of op de prijs die u ervoor kunt krijgen. Een overnemer zal immers alle zwarte lonen willen officialiseren, tegen 300%. Reken maar uit: een miljoen aan zwarte lonen heeft een negatieve weerslag op de EBIT van 3 miljoen. Met een multiple van zes komt dat neer op een waardedaling van 21 miljoen!

 

Tot slot nog dit. Geen enkele onderneming opereert in het luchtledige. Ook het economisch klimaat beïnvloedt de waarde van een onderneming. Het rentepeil beïnvloedt de financieringsmogelijkheden van de overnemer, een slecht beursklimaat vergroot de appetijt van de financiële investeerders. Op die manier kan eenzelfde bedrijf, met dezelfde cashflow, volledig anders gewaardeerd worden in de tijd. Om een goede prijs te krijgen voor uw onderneming, speelt ook timing een zeer belangrijke rol. 

 <Kader1>

Overname met het oog op uitbreiding marktaandeel

 

Wanneer de kandidaat-kopers een bedrijf wensen over te nemen om marktaandeel te verkrijgen in een sector waarin ze nog niet actief zijn, gebeurt de waardebepaling niet aan de hand van de rendementswaarde, maar spelen de wetten van vraag en aanbod. Een tekenend voorbeeld hiervan vinden we in de brouwerijsector. Enkele jaren geleden liepen brouwerijen storm voor het overnemen van drankengroothandels, om op die manier te verzekeren het erbij horende distributienetwerk in te lijven. Dat joeg de prijzen de hoogte in en viel de correlatie met het gecorrigeerde netto actief en de rendementswaardebepaling weg. Een ander voorbeeld zijn cementfabrieken die bouwgroothandels overnemen om zodoende hun distributieapparaat veilig te stellen.

   

 <Kader2>

Waardebepaling ten behoeve van een nalatenschap

Een financiële beoordeling van een onderneming kan ook tot doel hebben een eerlijke verdeelsleutel uit te werken ten behoeve van de erfgenamen, of zelfs, indien nodig, voor het berekenen van de successierechten.

De waardebepaling van een nalatenschap zou in theorie moeten vertrekken vanuit een vereffeningscenario. In de praktijk is die methode moeilijk hanteerbaar, omdat ze niet alleen een schatting van alle individuele activa vergt (onroerende goederen, installaties, voorraden…), maar ook rekening moet houden met verborgen passiva zoals een sociaal passief, een milieupassief (bvb bodemverontreiniging), onvoldoende voorzieningen voor groot onderhoud, enz. Omwille van het problematisch karakter van een dergelijk vereffeningscenario, is de waardering in de praktijk vaak gebaseerd op de intrinsieke waardebepaling.    

 

 

 

24-06-07

Gedragscode voor meer helderheid inzake kredietverlening

Deze tekst werd geschreven in april 2005 in opdracht van Publitec voor ING Onderneming

Gedragscode voor meer helderheid inzake kredietverlening  KMO’s die vinden dat hun kredietdossier onheus werd behandeld door hun financiële instelling, kunnen sinds november vorig jaar een dossier indienen bij een onafhankelijk contactpunt. Dat is een van de gevolgen van de Gedragscode tussen banken en ondernemersorganisaties die eind vorig jaar in werking trad. 

“Deze gedragscode draagt bij tot het bevorderen van goede betrekkingen tussen kredietinstellingen enerzijds en KMO’s anderzijds door een groter wederzijds begrip voor hun respectievelijke rol en verantwoordelijkheden.”

(Artikel 1 van de Gedragscode) 

Uniek in Europa

Met de ondertekening van de Gedragscode gaat de Belgische bankwereld als een van de enige in Europa in op de wens van de ondernemersorganisaties om tot meer klaarheid te komen inzake afspraken over kredietverlening. Op Europees vlak gaf de Raad van Industrie in december 2001 een eerste aanzet voor een Europese Gedragscode. De Europese Commissie boog zich over het probleem, maar onderhandelingen tussen de Europese bank- en kredietinstellingen en de Europese ondernemersorganisaties kwamen niet verder dan het uitwerken van een ontwerptekst.

Uiteindelijk haakte de Europese Bankfederatie af omdat ze vreesde dat de gedragscode zou uitmonden in een ‘recht op krediet’ en de banken hun bewegingsruimte bij de toekenning van kredieten zouden verliezen.  In België zette UNIZO het idee op de agenda van het overlegcomité tussen de Belgische Vereniging van Banken en de ondernemersorganisaties UNIZO, UCM, VBO en Agoria. “UNIZO heeft een drietal jaar geleden een cahier opgesteld over KMO en financiering,” zegt Nancy Van Campenhout, juridisch adviseur op de studiedienst van UNIZO. “Uit ons onderzoek bleek een duidelijke vraag naar een ombudsdienst, waar KMO’s zouden terechtkunnen voor allerhande problemen inzake hun kredietaanvraag. Kredietweigering is het grootste probleem, maar er zijn ook klachten over onduidelijke beslissingsprocedures, kredietopzeggingen per aangetekende brief zonder verdere uitleg, ingewikkelde berekeningsformules, onverstaanbare taal… De gedragscode moet tegemoetkomen aan die verzuchtingen, maar het is vandaag nog te vroeg om een evaluatie te maken.” 

Een mooi staaltje van zelfregulering

“We hebben de ontwerptekst van de Europese gedragscode op een Belgische leest geschoeid en zijn binnen het overlegcomité vrij vlug tot een consensus gekomen waarin alle partijen zich konden vinden,” vervolgt Nancy Van Campenhout. “ING heeft tijdens de onderhandelingen steeds een constructieve en ondersteunende houding aangenomen. We zijn verheugd over het initiatief, temeer dat België naast Cyprus het enige land is binnen de EU waar de banken en de ondernemingsvertegenwoordigers een akkoord hierover hebben ondertekend. Ook Groot-Brittannië en Ierland kennen een gedragscode, maar het concept is anders. Daar hebben de banken eenzijdig een handvest ingevoerd, zonder de ondernemingswereld hierin te betrekken.”UNIZO verkiest zelfregulering boven een wettelijk initiatief: “Het alternatief is een wettelijke regeling, waarbij het gevaar bestaat dat zowel de banken als de ondernemingen in een strak keurslijf worden gedrongen, waarbij ze zich aan allerhande regels dienen te houden. Daarom hebben we gekozen voor een tekst die vooral gebouwd is rond een aantal algemene principes zoals transparantie, open dialoog, wederzijds vertrouwen… Van de banken wordt verwacht dat ze vooraf op een toegankelijke en verstaanbare manier laten weten welke informatie ze nodig hebben, volgens welke criteria ze de kredietdossies zullen beoordelen en aan welke voorwaarden ze de kredieten verlenen. Maar ook de KMO’s moeten meer in hun kaarten laten kijken en mogen bijvoorbeeld geen informatie achterhouden die van belang kan zijn bij de kredietbeslissing.” 

Contactpunt voor de behandeling van klachten

Tot de vroegere wens van UNIZO voor een ombudsdienst is het niet gekomen, maar daar heeft Nancy Van Campenhout begrip voor: “Er is de kwestie van financiering, en het is niet evident om een geschikte persoon te vinden die volledig onafhankelijk is en voldoende technisch onderlegd om de dossiers te beoordelen.” Ondernemers die klachten hebben over de behandeling van hun kredietdossier, kunnen met hun grieven terecht bij het Contactpunt waarin vertegenwoordigers zetelen van de organisaties die de Gedragscode hebben ondertekend. Daar wordt nagegaan of er een inbreuk is gepleegd op de spelregels van de Gedragscode, met andere woorden, of de klacht ontvankelijk is. Nancy Van Campenhout: “In dat geval maakt het Contactpunt het dossier opnieuw over aan de betrokken bank met de vraag het een tweede keer te bekijken. Meestal gebeurt dat op een hoger niveau of via de geschillendienst van de bank en wordt de oorspronkelijke beslissing mogelijk herzien. Maar de banken blijven hun vrijheid behouden om het krediet te weigeren, alleen moeten ze hun besluit duidelijk motiveren. De ondernemer heeft dus geen recht op krediet, maar hij heeft wel het recht om te weten op welke basis het eindoordeel werd genomen. Zo kan hij zijn businessplan aanpassen of andere maatregelen nemen en een nieuwe kredietaanvraag indienen, eventueel bij een andere bank.”

Het Contactpunt is niet bevoegd om zelf oplossingen te formuleren, maar een waakhond die toeziet of de spelregels worden gerespecteerd en aandringt bij de betrokken bank op een oplossing. Volgens Nancy Van Campenhout heeft dat een belangrijk psychologisch effect op de banken: “De klachten worden anoniem behandeld, maar meestal weten de banken wel wanneer ze geviseerd worden. Het Contactpunt is bijgevolg een belangrijk drukmiddel om de dossiers correct te behandelen. De banken zijn niet verplicht om hun beslissing schriftelijk te motiveren. Dat gebeurt best in een open gesprek met de betrokken ondernemer, liefst zo gedetailleerd mogelijk.”    

Te vroeg voor een balans

Tot op heden blijft het aantal klachten dat het Contactpunt heeft behandeld zeer beperkt, maar Nancy van Campenhout vindt het nog te vroeg om een evaluatie te maken: “Misschien zijn de banken sedert het bestaan van de Gedragscode alerter geworden, anderzijds schort er zeker iets aan de bekendheid van het Contactpunt. We hebben een enquête gehouden onder onze leden, waaruit blijkt dat 86% het meldpunt niet kennen, en 81% nog nooit gehoord heeft van de Gedragscode. Het zou dus totaal onverantwoord zijn om het Contactpunt vroegtijdig te begraven wegens een gebrek aan klachten.” De taak van het Contactpunt beperkt zich niet tot het verifiëren of de Gedragscode wel gerespecteerd wordt, maar speelt ook een rol op het vlak van monitoring van het geheel van de klachten. Op 1 november 2005 wordt een eerste evaluatie gemaakt. Nancy Van Campenhout: “Het Contactpunt krijgt nogal wat klachten binnen die niet ontvankelijk zijn omdat ze niets te maken hebben met kredietverlening. In dat geval krijgt de ondernemer een brief waarin wordt uitgelegd dat het Contactpunt niet bevoegd is, maar dat zijn dossier wel werd overgemaakt aan de geschillendienst van zijn bank. Er is dus altijd feedback. Bij de evaluatie zullen we nagaan of de Gedragscode eventueel niet moet worden verfijnd of  uitgebreid, maar nogmaals, het is voorbarig om daar nu al een uitspraak over te doen.”  Dat ING geen moeite had om de Gedragscode te onderschrijven, hoeft niemand te verwonderen. Transparantie, communicatie, openheid en wederzijds vertrouwen zijn immers waarden die al lang hoog in het ING-vaandel prijken… 

kader

Kredietproblematiek van KMO’s

Uit een onderzoek van UNIZO blijkt dat KMO’s de weigering van een krediet als belangrijkste probleem ervaren in hun bankrelatie. 

Weigering kredietvoorstel16%
Wijziging kredietvoorwaarden9%
Dreiging opzegging6%
Opzegging krediet3%
    

18-06-07

Videobewaking: de opmars van IP

Ondertaande tekst werd geschreven in januari 2005 in opdracht van Publitec voor het tijdschrift Quater van Group 4 Securicor

 

Videobewaking: de opmars van IP

 

De security-markt en de IT-markt groeien zienderogen naar elkaar toe. Steeds meer bedrijven integreren immers hun videobewakingssysteem binnen hun bestaande netwerk en maken hierbij gebruik van IP-technologie. De voordelen zijn legio: beheersgemak, flexibiliteit, mobiliteit… De opmars van ‘video over IP’ is dan ook niet meer te stuiten.

 

Voordelen bij de vleet

 

De overschakeling naar video over IP kadert in een algemene technologische evolutie waarbij digitale producten steeds meer de analoge vervangen en bandbreedtes alsmaar groter worden.  De gebruiker hoeft zich niet langer fysisch te verplaatsen om beelden te bekijken. Hij logt gewoon in op het netwerk (zelfs via een eenvoudige internetverbinding), waar hij zich ook bevindt. IP is immers een open standaard die gebruikmaakt van hedendaags protocol en bijgevolg ook toekomstverzekerd is.

 

Een browser en een IP-adres volstaan om een verbinding te maken met de camera. Er is ook geen fysische aansluiting meer nodig tussen de camera en de recorder.  Neem bijvoorbeeld een bedrijf met vestigingen in Brussel, Antwerpen en Luik. In Antwerpen of Luik opgenomen beelden kunnen worden opgeslagen in Brussel en vice-versa. Bovendien kan de gebruiker, mits hij beschikt over de nodige software, op een mozaïekscherm simultaan beelden bekijken van verschillende locaties. Ook de verplaatsing van IP-camera’s is een fluitje van een cent: men plugt ze gewoon elders in op het netwerk en klaar is kees. Beelden kunnen zelfs draadloos worden doorgestuurd naar een PDA (handcomputer)!

 

IP is gemakkelijk te integreren met andere toepassingen. Zo volstaat voor de bediening van een poort één draadloze IP-camera waarop een intercom en stuurmechanisme is aangesloten. Het is niet langer nodig om de weg open te breken en kabels te trekken. IP is bijgevolg zeer kostenbesparend, temeer dat IP_technologie gebruik maakt van de netwerkinfrastructuur waarover de onderneming reeds beschikt.

 

Onderdelen van een IP-beveiliging

 

De markt van de IP-camera’s biedt de gebruiker een zeer ruime keuze: draadloze camera’s, beweegbare pan/tilt/zoom-camera’s die van op afstand kunnen worden bediend, camera’s voor binnen- en buitenmontage, infrarood camera ’s voor nachtopnames, enz. De modellen zijn compact en leveren een uitstekende beeldkwaliteit. Het is ook mogelijk om analoge camera’s te integreren in het netwerk, mits aansluiting van een videoserver die het analoge signaal omzet naar een digitaal signaal.

Daarnaast is er de digitale opslagapparatuur. Beelden kunnen zowel worden opgeslagen in de camera, op een videoserver of op een netwerk videorecorder. Een eenvoudige webbrowser volstaat om beelden te bekijken, maar er bestaat ook speciale software die het mogelijk maakt om verschillende beelden simultaan op te roepen, of die bij alarm een pop-up opwekt op het scherm.

Last but not least is er het netwerk (Lan, WAN of internet). Hier zien we een duidelijke evolutie naar steeds grotere bandbreedtes: 100 Mbit-lijnen tussen de switchen en de camera’s en een backbone van 1 Gbit. Naargelang het aantal camera’s, de gewenste beeldkwaliteit en de frequentie van het doorsturen van de beelden kan Group 4 de netwerkbelasting berekenen en een oplossing voorstellen die haalbaar is voor de klant.   

 

 

<Kaderstukken>

Een nieuw concept videobewaking voor het Europees parlement

 

Ook het Europees parlement besloot om over te schakelen naar een videobewakingssysteem dat volledig steunt op IP-technologie. De voorkeur ging naar de offerte van Group 4, die hiermee en belangrijk contract in de wacht sleepte, goed voor 2,4 miljoen euro.

Het Europees parlement beschikt over twaalf gebouwen: acht in Brussel, drie in Straatsburg en een in Luxemburg. Al die gebouwen worden uitgerust met IP-camera’s (500 in Brussel, 300 in Straatsburg en 100 in Luxemburg) en servers voor beeldopname (respectievelijk 30, 20 en 5). Bovendien komt in elke vestiging een centrale dispatching en een ‘crisiscentrum’ in Brussel.

Met dit project wordt het volledige videobewakingssysteem van het Europees parlement vernieuwd. Group 4 levert de camera’s, de servers, de desk, het controlecentrum en de nodige bekabeling. Het einde van de werken is voorzien tegen eind 2005.  

 

Compressie vereist

Het doorsturen van ‘klassieke’ videosignalen op een netwerk neemt enorm veel bandbreedte in beslag. Daarom is een compressie van die beelden een must. Hiertoe bestaan verschillende technieken: JPEG, MJPEG, H.263, MJPEG2 en MPEG4. Vooral die laatste twee worden vaak gebruikt. MPEG2 levert beelden met dvd-kwaliteit, maar omdat die nogal wat bandbreedte in beslag nemen (2 tot 5 Mbit/sec), worden ze lokaal opgeslagen op een harde schijf. Het doorsturen van beelden over het netwerk via IP gebeurt aan de hand van MPEG4. Het grote voordeel van die techniek is dat ze alleen bij beweging beelden doorstuurt waardoor het netwerk veel minder wordt belast.

09:04 Gepost door Jean Lievens in bedrijfsnieuws | Permalink | Commentaren (0) | Tags: referenties bedrijfscommunicatie, 016 |  Facebook |