25-09-07

Rusthuizen: Een sector met veel toekomst

Onderstaande tekst werd geschreven in opdracht van Publitec voor het tijdschrift ING Institutioneel (april 2006).

Rusthuizen: Een sector met veel toekomst

De sector van de rusthuizen en verzorgingsinstellingen is volop in beweging. Schaalvergroting, professionalisering, wijzigingen in het wettelijke kader en in het subsidiebeleid zijn maar enkele belangrijke tendensen. Frank Van de Casteele, National Manager Social Profit ING, volgt de sector op de voet.

De rusthuizensector gaat een mooie toekomst tegemoet. In 2000 telde België 1,8 miljoen inwoners tussen 60 en 80 jaar; 376.000 waren ouder dan 80. Naar verwachting zouden die aantallen tegen 2050 respectievelijk oplopen tot 2,4 en 1,1 miljoen! Die demografische ontwikkeling veroorzaakt nieuwe tendensen in de sector en beïnvloedt tevens het overheidsbeleid.

Van thuiszorg en serviceflat naar het rusthuis

Frank Van de Casteele: “De nood aan rusthuisvoorzieningen neemt zienderogen toe, maar ook de houding tegenover het ouder worden, verandert. Thuiszorg en serviceflats worden sterker gepromoot, terwijl bejaarden pas in de eindfase van hun leven in een rusthuis belanden. De bouw van woon- en zorgcentra met zowel serviceflats als rusthuizen zit dan ook in de lift. Binnen de rusthuizen is er, afhankelijk van de zorgbehoeften van de patiënt, een onderscheid tussen rustoordbedden (ROB) en rust- en verzorgingsbedden (RVT), waarbij de RVT-bedden meer subsidies krijgen. De overheid wenst de ROB’s immers zoveel mogelijk af te bouwen ten voordele van de thuiszorg en serviceflats.”

De strenge reglementering en de overheidsprogrammering op basis van de demografische ontwikkeling maken wildgroei in de sector onmogelijk. Drie hoofdspelers zijn werkzaam op de markt: de Caritaszuil beheerst ongeveer 45 à 50%, de OCMW’s en gemeenten zijn goed voor ca 30%, terwijl commerciële initiatieven de rest voor hun rekening nemen, maar hun aandeel is stijgende.

Schaalvergroting en concentratie

Frank Van de Casteele: “De specifieke regelgeving, de vrij strenge overheidscontrole en de financieringsmodaliteiten hebben gezorgd voor een duidelijke professionalisering in de sector. Kleine rusthuizen met tien tot dertig bedden zijn niet meer rendabel en verdwijnen uit de markt, of worden overgenomen door grotere spelers. Zowel congregaties als commerciële rusthuizen beheren een steeds groter aantal bedden voor een optimale spreiding van de vaste kosten. ING gelooft dat de toekomst vooral is weggelegd voor serviceflats die verbonden zijn aan een rusthuis. Eens een bejaarde in zijn serviceflat te hulpbehoevend wordt, kan hij gemakkelijk doorstromen naar het rusthuis.”

Ook op het vlak van de financiering tekenen zich nieuwe tendensen af. Frank Van de Casteele: “Mensen die van plan zijn later naar een serviceflat te verhuizen, worden nu al bij de financiering van het project betrokken via een door de bank uitgegeven obligatielening (vaak met een looptijd van dertig jaar) waarop ze kunnen intekenen en die hen een woonrecht geeft. De overheid ondernam enkele jaren geleden een soortgelijk initiatief via een BEVAK-formule, maar het woonrecht was niet verbonden aan een welbepaalde serviceflat waardoor de betrokkene het risico liep te moeten verhuizen naar een andere gemeente. Verder wordt ING ook geconsulteerd bij allerhande overnameprojecten, en draagt de bank bij tot een verdere groei van de sector via alternatieve financieringsformules zoals de uitgifte van BEVAK’s en vastgoedcertificaten.”

De opmars van commerciële rusthuizen

Frank Van de Casteele: “De belangrijkste marktontwikkeling situeert zich op het vlak van de commerciële rusthuizen. Grote buitenlandse investeringsgroepen uit onder andere Nederland nemen Belgische rusthuizen over, terwijl privé-investeerders hun krachten bundelen om een verdere groei te verzekeren. Een andere ontwikkeling is de opsplitsing tussen investeerder en uitbater. Voor het opstarten van een nieuw project moet u rekenen op een kostprijs van 50.000 tot 60.000 euro per bed. Een rusthuis met 100 bedden kost de investeerder al gauw 6 miljoen euro. Voor de financiering van een dergelijk project met een klassieke banklening, dient hij 20 tot 25% eigen middelen te voorzien, wat vaak niet evident is. Een aantal kapitaalkrachtige spelers kunnen echter een oplossing bieden. Ik denk bijvoorbeeld aan de overeenkomst tussen Cofinimmo en Restel, waarbij Cofinimmo de investeringskosten draagt, en het rusthuis vervolgens verhuurt aan Restel voor de exploitatie.”

Criteria bij de beoordeling van een financieringsdossier

Hoe wordt een kredietdossier voor een rusthuis bij ING beoordeeld? Frank Van de Casteele: “Rusthuizen vormen een stabiele sector met kleinere bedrijfsrisico’s dan traditionele ondernemingen. Naast de financiële toestand van de investeerder, hechten we vooral belang aan de kwaliteiten en de ervaring van het management. De kunst is om een sociale ingesteldheid te combineren met bedrijfseconomische talenten. Ook de bouwkost is een doorslaggevende factor, want die wordt gedurende een lange periode meegesleept. Vaak komt een rusthuis na verloop van tijd in financiële moeilijkheden omdat de oorspronkelijke bouwkost te hoog was. Uiteraard is die kost afhankelijk van de ligging en de graad van comfort, maar wij zijn van mening dat 60.000 euro per bed haalbaar is. Een andere belangrijke factor is de schuldgraad per bed, die niet te zwaar mag doorwegen op de exploitatie. We bestuderen ook de financiële plannen, gaan na of de prognoses realistisch zijn, en nemen op die basis de uiteindelijke beslissing.”

Wijziging in het Vlaamse subsidiebeleid

In het verleden konden de pure non-prof initiatieven (zoals de Caritas vzw’s) voor subsidiëring aankloppen bij het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA). Het VIPA subsidieerde 60% van de investeringskosten tot een welbepaald plafond, terwijl de overige 40% werd ontleend met een waarborg van de Vlaamse Gemeenschap. Gezien de hoge investeringskosten bleek het beschikbare budget ontoereikend om alle noden te dekken, waardoor de Vlaamse regering recent een nieuw decreet uitvaardigde dat een subsidieregeling in de tijd voorziet. Het is wel nog wachten op de uitvoeringsbesluiten. Frank Van de Casteele: “De investeerder zal zijn project financieren via een banklening, gewaarborgd door de Vlaamse overheid. De aflossing van de lening wordt vervolgens gesubsidieerd door het VIPA, rekening houdende met de ERS-neutraliteit (Europees Stelsel der Rekeningen). Op die manier zal de Vlaamse overheid meer projecten kunnen ondersteunen dan vandaag het geval is. ING staat in elk geval klaar met aangepaste financieringsformules om de noodzakelijke groei van de sector te ondersteunen.”

 

19:01 Gepost door Jean Lievens in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: 030, economie en financien |  Facebook |

Bekaert Steel Cord: Staaldraad heeft nog een grote toekomst

Deze tekst dateert van september 2003.
Geschreven voor Publitec op aanvraag van Beckaert


Bekaert Steel Cord: Staaldraad heeft nog een grote toekomst

Met ongeveer 30% van de totale omzet is Steel Cord een van de hoofdpijlers van het West-Vlaamse staalbedrijf Bekaert. De kernactiviteit van die businessunit, die vorig jaar zijn vijftigste verjaardag vierde, is de productie van staaldraad ten behoeve van de bandenindustrie. Ondanks dichtslibbende wegen in de rijke industrielanden, ziet Daniël Chambaere, Marketing & Sales Steelcor, de toekomst van Steel Cord rooskleurig in op wereldvlak. Vooral de ‘emerging markets’, met China op kop, hebben nog heel wat groeipotentieel. Een gesprek.

Wat is de positie van Steel Cord op de wereldmarkt?
DC: De met staaldraad versterkte autoband is een uitvinding van Michelin, die als eerste staaldraad begon te produceren voor eigen gebruik. Bij de oprichting van Steel Cord vijftig jaar geleden, was de markt voor tire cord voor radiaalbanden quasi onbestaande. In de voorbije vijftig jaar is onze productie pijlsnel de hoogte ingegaan, waarbij onze strategie er steeds in heeft bestaan de markt te volgen. Onze productie is gestart in Europa, het eerste continent waar dankzij Michelin de radiaalband is doorgebroken. Begin jaren 80 volgde Amerika. Telkens er in de wereld zich een markt begon te ontwikkelen, zijn wij gevolgd met een lokale vestiging om dichtbij de klant te zijn. Vandaag bedraagt de wereldproductie van staaldraad naar onze schatting zo’n 1.350.000 ton. Ongeveer 40% ervan maakt deel uit van de geïntegreerde productie van de grote bandenproducenten, de rest wordt geleverd door Bekaert Steel Cord en concurrenten. Die 40/60%-verhouding blijft vrij stabiel. Een belangrijk deel van de geïntegreerde productie is trouwens afkomstig van Steel Cord, omdat wij in 1991 wegens strategische redenen een punt hebben gezet achter onze joint venture met Bridgestone, die sindsdien grotendeels over een geïntegreerde productie beschikt. Voor dit jaar schatten wij onze totale productie op iets meer dan 300.000 ton, dat is 23% van de wereldproductie. Aangezien iedere personenauto vijf wielen telt, betekent dat, statistisch gezien, dat Bekaert Steel Cord vertegenwoordigd is in elke wagen!

Hoe ziet u de toekomst van de staaldraadmarkt?
DC: Wij zien de toekomst voor staalkoord optimistisch in en blijven dan ook investeren in die strategische pijler van ons bedrijf. We maken wel een onderscheid tussen de zogenaamde rijpe markten van Noord-Amerika, West-Europa en Japan; en de zogenaamde emerging markets (ontwikkelingsmarkten) die het grootste groeipotentieel hebben. Die groei kan komen ten gevolge van een stijging van het aantal voertuigen, van een toename van de radialisatie, of van beide. In de rijpe markten is de radialisatie van zowel personenwagens als vrachtwagens nagenoeg 100%, zodat daar alleen nog maar een beperkte groei mogelijk is door een toename van het aantal voertuigen. In de ontwikkelingslanden nemen zowel het aantal banden als de radialisatie toe. Het meest frappante voorbeeld is China, waar de markt explosief groeit.

Hoe belangrijk is de productie van staaldraad voor Steel Cord?
DC: Zeer belangrijk, aangezien onze productie voor de bandenindustrie 85% van onze totale omzet bedraagt. 

Wat is uw marktstrategie naar de toekomst toe?
DC: In de rijpe markten wensen wij onze positie te verdedigen en te consolideren. Wij geven geen enkele markt op. Wel voorzien we grote moeilijkheden voor de toekomst. Zo denken we dat het verbruik van staalkoord op de Noord-Amerikaanse markt zal inkrimpen, omdat de grote bandenproducenten steeds meer importeren uit landen met lagere productiekosten. Zo is er in de vakbondsonderhandelingen bij Goodyear sprake van de sluiting van een aantal fabrieken en ook anderen zullen waarschijnlijk capaciteit afbouwen. In de laatste jaren zijn al een aantal belangrijke spelers uit de staaldraadmarkt verdwenen, zoals America Tokio Ropes en Amercord, en veel van onze concurrenten verkeren in ademnood. Wij zijn niet van plan onze capaciteit in onze twee Amerikaanse vestigingen die staaldraad produceren (in Rogers en Dyersburg) nog verder uit te breiden, maar we wensen de bestaande te behouden.
In Europa stellen we een verschuiving van de bandenproductie vast van West-Europa naar Centraal- en Oost-Europa. Alle grote producenten hebben geïnvesteerd in landen als Tsjechië, Polen, Hongarije en nu ook Roemenië. Rusland is waarschijnlijk de volgende aan de beurt. Wij volgen die trend van onze klanten en hebben een nieuwe fabriek gebouwd in Slowakije, die we volop aan het uitbreiden zijn. Daarnaast hebben we in Slowakije Drotovna overgenomen, een staaldraadproducent in Hlohoveceen, die we momenteel aan het “Bekaerdiseren” (moderniseren) zijn. Veel van de lokale staaldraadproducenten werken immers nog met oudere technologieën en leveren niet de vereiste kwaliteitsproducten.

Heeft Steel Cord nog andere investeringsplannen?
DC: Een van de belangrijkste pijlers in onze strategie zijn de zogenaamde strategische projecten, dat zijn uitbreidingsprojecten in groeimarkten. Wij zijn er bijvoorbeeld van overtuigd dat Rusland een zeer groot potentieel heeft. Als de bandenindustrie zich nog verder naar het oosten verschuift en ook Rusland een groeimarkt wordt, staan we klaar om ook daar te gaan investeren. Maar het schoolvoorbeeld van een explosieve groeimarkt is China. Ten slotte biedt na een lange stagnatieperiode ook Latijns-Amerika nieuwe groeikansen. Steel Cord beschikt over twee fabrieken in Brazilië in joint venture met het Braziliaanse staalbedrijf Belgo. We hebben vrij recent onze plannen moeten aanpassen om ook daar strategische uitbreidingsinvesteringen te doen, omdat er een nieuwe belangstelling is van onze klanten voor landen als Brazilië, Venezuela, Chili en zelfs Argentinië.

Die strategie is gebaseerd om zo dicht mogelijk in de nabijheid van de klant te produceren. Zijn daar ook nadelen aan verbonden?
DC: Op sommige momenten kan je daar spijt van hebben… Als de dollar zeer sterk staat, krijgen we het in de VS zeer moeilijk. Maar we kunnen onze strategie moeilijk baseren op wisselkoersschommelingen. Strategie is op lange termijn. We volgen overigens niet alleen de markt, soms baseren we onze investeringsbeslissing op een groeiontwikkeling die we verwachten. Steel Cord is tien jaar geleden als een van de eerste Westerse bedrijven naar China getrokken omdat we ervan overtuigd waren van het groeipotentieel. Onze eerste vestiging in Jiangyin, niet ver van Shangai, is beginnen produceren in 1995 en binnenkort wordt dat onze grootste staaldraadfabriek ter wereld!  Daarnaast hebben we een bestaand bedrijf overgenomen in Shenyang, in het noorden van China, en ook die fabriek wordt maximaal uitgebreid. Ten slotte zijn we met de bouw begonnen van een derde fabriek aan de kust van Shandong en sluiten we zelfs de bouw van een vierde fabriek niet uit. In de vijftig jaar Steel Cord hebben we nooit een dergelijke explosieve groei meegemaakt. De groei is bijna chaotisch. Een van onze medewerkers in Shanghai vergelijkt de huidige situatie met die van de vroegere oorlogvoerende staten die elkaar bestreden. Dit jaar alleen al zijn er twaalf nieuwe bandenproducenten bijgekomen die allemaal staaldraad nodig hebben…

Zijn er dan geen risico’s verbonden aan die situatie?
DC: Die exponentiële groei brengt inderdaad een risico op oververhitting met zich mee. Op de duur ontstaat het gevaar voor een overcapaciteit, maar dat risico hebben we ingecalculeerd. Bovendien zien we voorlopig geen enkel teken van een groeivertraging en we denken dat de Chinese economie nog verdere impulsen zal krijgen ten gevolge van de organisatie van de Olympische Spelen in 2008 en van de wereldtentoonstelling in 2010. Op de duur zal de groeicurve onvermijdelijk beginnen afbuigen, maar we blijven zeer optimistisch.

Hoe staan de Chinezen tegenover een Westers bedrijf als Bekaert? Spelen er geen culturele elementen in uw nadeel?
CD: Wij proberen ons zo goed mogelijk op te stellen als Chinese staatsburgers. Wij hechten enorm veel belang aan de opleiding van het lokale management en op één expat na, is het volledig management in onze twee bedrijven volledig Chinees. De aanwezigheid van een goed getraind plaatselijk managementteam is trouwens de sleutel van ons succes in China.

Staaldraad wordt steeds meer een bulkproduct. Is het daarom dat Bekaert Steel Cord meer de nadruk legt op andere factoren zoals opleiding, research and ontwikkeling, klantenservice…?
CD: Dat klopt. In China doen we meer dan louter produceren. Wij huldigen er de politiek van ‘customer intimacy’. De nieuwe Chinese bandenproducenten hebben bitter weinig ervaring en daarom staan wij hen met raad en daad bij. Vaak werken starters met oudere technologieën en begeleiden we ze stap voor stap op weg naar een beter product. Men kan immers niet lopen vooraleer men kan wandelen… In dat kader hebben voor het eerst onze R&D-afdeling gedecentraliseerd en een aparte afdeling opgericht in China met als doel om samen met onze Chinese klanten oplossingen te zoeken die het best zijn aangepast aan hun behoeften. Een expat leidt er de operaties, maar voor de rest werken we louter met Chinese ingenieurs. We besparen hierdoor heel wat tijd, kunnen onze klanten een veel betere service geven en uiteraard wordt die politiek plaatselijk enorm geapprecieerd.

Ziet u nog andere potentiële groeimarkten in de wereld?
CD: Het Midden-Oosten heeft heel wat potentieel, maar die regio blijft geplaagd door politieke instabiliteit. Er zijn een aantal bandenfabrieken in het Midden-Oosten, maar er worden zeer weinig radiaalbanden geproduceerd. Naar verluid zou Iran op het punt staan met de productie van radiaalbanden te beginnen, dus misschien openen zich daar mogelijkheden voor de toekomst. De Indische markt zou statistisch gezien even beloftevol moeten zijn als China, maar de evolutie gaat er een stuk trager. Steel Cord heeft er een kleine fabriek in Pune, die dit jaar behoorlijk presteert, beter dan de jaren daarvoor. In Indonesië hebben we een goed draaiende vestiging in Karawang, niet ver van Jakarta, maar ook daar verloopt de evolutie trager dan verwacht. Een belangrijk voordeel is dat wij onze fabrieken grotendeels modulair kunnen opbouwen. Dat betekent dat we kunnen starten met een beperkte productiecapaciteit, en die gaandeweg uitbreiden naargelang de markt groeit.   

Zijn er vervangingsproducten in de markt die op termijn een bedreiging kunnen vormen voor staaldraad?
CD: Aramide is al een aantal decennia een belangrijke uitdager die we ooit als een bedreiging beschouwden, maar vandaag denken we dat ook in de komende decennium het overgrote deel van radiaalband zullen blijven versterkt worden met staal. Aramide is sterker dan staal, maar de meerkost weegt niet op tegen dat voordeel. Aangezien de bandenindustrie zeer kostengevoelig is, blijven we geloven in staaldraad. Aramide wordt zeer veel gebruikt, maar vooral in hoogwaardige toepassingen, zoals bijvoorbeeld kogelvrije verten. In de auto-industrie wordt aramide enkel gebruikt in bepaalde nichemarkten waar de kostprijs geen rol speelt, zoals racewagens. Andere substitutieproducten zoals koolstofvezels (carbon fibres) of PEN (polyethyleennaftalaat) staan nog veel meer in de kinderscheoenen dan aramide, dus ook daar gaat geen bedreiging van uit.

Hoe ziet u de prijs van staaldraad evolueren?
CD: Vooral in het afgelopen decennium is de prijs van staaldraad sterk geërodeerd, zodat sommige producenten er zelfs het bijltje moesten bij neerleggen, eerst in Europa, vervolgens in de VS. De bandenindustrie staat onder de druk van de auto-industrie en schuiven die druk door naar ons. Door die prijserosie zijn verdere uitbreidingsinvesteringen daar niet langer verantwoord. We blijven echter investeren in productontwikkeling, zodat we op technologisch en kwalitatief vlak onze voorsprong kunnen bewaren op de concurrentie, en/of onze klanten een kosteneffectiever alternatief kunnen aanbieden. Dat moet ook, want de staaldraad ter versterking van radiaalbanden is een bulkproduct geworden. Dat geldt niet voor de vrachtwagensector. Veel producenten missen de nodige technologie en het vereiste machinepark om staaldraad ter versterking van vrachtwagenbanden te maken.

Is de kwaliteit van de staaldraad die Bekaert Steel Cord vervaardigt overal ter wereld dezelfde?
CD: Het waarborgen van een uniforme kwaliteit waar ook ter wereld is een van de hoekstenen van onze politiek. Op dat vlak zijn we tot geen enkel compromis bereid. Ook in China werken onze productie-eenheden met hoogwaardige Bekaert-technologie. Aanvankelijk heeft het ons zelfs moeite gekost om onze Chinese klanten daarvan te overtuigen, omdat ze hun staaldraad aanvankelijk wilden importeren uit België.

Hoe ziet u de evolutie van staaldraad in de komende tien jaar?
CD: Wij verwachten in het komende decennium nog altijd een sterke groei, vooral ten gevolge van de introductie en ontwikkeling van de radiaalband in de ontwikkelingsmarkten. Die evolutie is ook nauw verbonden met de ontwikkeling van de infrastructuur van de betrokken landen. De voordelen van de radiaalband, zoals een betere stuurcapaciteit en een zuiniger verbruik,  komen pas tot uiting als de infrastructuur voldoende goed is. Overladen vrachtwagens op hobbelige wegen zijn zelfs beter af met klassieke banden. De opmars van de radiaalband in China is ook toe te schrijven aan het feit dat het land in een razendsnel tempo prachtige snelwegen bouwt. Ook India begint meer inspanningen te doen op het vlak van infrastructuur. Dergelijke infrastructuurwerken scheppen indirect telkens weer nieuwe groeimogelijkheden voor staaldraad, en die evolutie zal in de komende tien jaar absoluut verder gaan.

Kunt u ook nog iets vertellen over de andere producten van Steel Cord?

CD: Het gemeenschappelijk kenmerk van alle producten van Steel Cord is dat ze dienen ter versterking van polymeren, hoofdzakelijk rubber. Zoals gezegd is de productie ten behoeve van de bandenindustrie goed voor 85% van het totaal. Voor de bandenindustrie leveren we twee producten: staaldraad en bead wire (hielendraad), een draad ter versteviging van het stuk over de velg. Daarnaast produceren we hose reinforcement wire (slangendraad), ter versterking van slangen, en belt cords ter versteviging van allerhande transportbanden. Ten slotte zijn er nog een aantal kleinere producten waarvan sawing wire (zaagdraad) de belangrijkste is. Sawing wire is eigenlijk de vreemde eend in de bijt, omdat het product niet dient ter versterking van polymeren of rubber, maar voor het zagen van allerhande producten.  Het ressorteert onder Steel Cord omdat de gebruikte technologie sterk verwant is aan die voor onze andere producten. De belangrijkste toepassingen zijn te vinden in de elektronicasector die sawing wire gebruikt voor het snijden van wafels van halfgeleiders, die dan verder bewerkt worden tot geïntegreerde schakelingen en chips. Sawing wire wordt ook nog gebruikt in zonnepanelen. Een laatste product is fine steel cord, die onder andere gebruikt wordt ter versterking van getande riemen. Een nieuwe ontwikkeling is het gebruik van fine cord in liftlinten, die bij het oprollen veel minder plaats behoeven dan liftkabels. Fine cord wordt ook gebruikt om kogelvrije vesten steekvrij te maken. Kogelvrije vesten zijn versterkt met aramide die wel kogels tegenhoudt, maar niet bestand is tegen messteken. Daarom worden er ook zeer fijne metaalkoordjes doorgeweven. Op dezelfde manier kunnen dekzeilen van vrachtwagens van een grotere bescherming genieten. Transportbanden voor voetgangers in o.a. luchthavens is nog een applicatie, overspanningen van moderne gebouwen zoals de Millenniumdom in Londen een andere… De toepassingsmogelijkheden van fine cord zijn legio. Met dat fine cord mikken we eigenlijk op producten die nog niet bestaan: welke problemen kunnen we oplossen door het gebruik van fine cord? We hebben hierover een brainstorm gedaan, waaruit een schat van ideeën is gekomen.

Voorziet u dat het aandeel van die andere producten in de totale productie van Steel Cord zal toenemen, of verminderen?
CD: Door de sterke groei van de staaldraadmarkt in de ontwikkelingslanden zal het belang van de bandenmarkt voor Steel Cord waarschijnlijk nog toenemen. Steel Cord is nog altijd leider op de markt van hose wire, maar de groeimogelijkheden zijn zeer beperkt en de marges fel geslonken. Vooral Noord-Amerka en Europa blijven belangrijke markten. Veel groei valt er evenmin te verachten van conveyor belts. De mijnindustrie zit al jaren in het slop en heeft weinig behoefte aan nieuwe transportbanden. Bovendien is daar de concurrentiegekomen van ‘monstertrucks’ die met de ertsblokken op en af rijden. Daarnaast produceren we een speciaal product waarop we een patent hebben genomen, Fleximat. Dat zijn staalweefsels ten behoeve van lichtere transportbanden. Ook daar zijn de groeimogelijkheden eerder beperkt. De belangrijkste groeipool is tire cord, maar die volumes verzinken bijna in het niets in vergelijking met de productie van staaldraad. Anderzijds zijn het producten met een hogere toegevoegde waarde die al onze aandacht verdienen. We moeten namelijk op onze hoede zijn dat we die andere producten niet laten verdrinken in de zee van staaldraad. We verwachten trouwens dat de Chinese leiders plannen hebben om de elektronica-industrie te ontwikkelen. De kuststreek is zeer geïndustrialiseerd, maar het binnenland hinkt achterna. Daarom proberen de Chinese leiders met incentives bedrijven aan te sporen om te investeren in het binneland, o.a. in het onontwikkelde Westen. Er is ook sprake van de bouw van een Chinese ‘Silicon Valley’, waardoor er zich een nieuwe markt opent voor sawing wire. Maar staaldraad blijft de levenslijn van Steel Cord. Vergeet niet dat 30% van de omzet van Bekaert afkomstig is van Steel Cord, en staaldraad goed is voor 85% van de omzet van Steel Cord…       

 

15:26 Gepost door Jean Lievens in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: 029, bedrijfscommunicatie, interviews |  Facebook |

21-09-07

Is de financiële sector overgereguleerd?

Onderstaande tekst dateert van februari 2005; geschreven in opdracht van Headline Publishing Voor Delta Lloyd Magazine

Is de financiële sector overgereguleerd?

Dat de financiële sector zich moet onderwerpen aan een reeks wettelijke verplichtingen en reglementen, trekt niemand in twijfel. Kapitaalstromen vormen de bloedsomloop van onze economie, en financiële crashes in het verleden hebben aangetoond tot welke economische en politieke catastrofes wildgroei kan leiden. Met de voortschrijding van de mondialisering en de verdere ontwikkeling van supranationale blokken zoals de EU hebben alsmaar meer wetten een internationale oorsprong. Denken we maar aan de Bazel II-normen, gericht op het behoud van een stabiel financieel wereldsysteem.

Komt daarbij een reeks financiële schandalen en een terroristische revival, en het hek is helemaal van de dam. Reglementen inzake “compliance”, het respect voor wettelijke en reglementaire bepalingen en deontologische principes maken het leven op het terrein soms behoorlijk moeilijk. De vraag is dan ook: is de financiële sector niet het slachtoffer geworden van ongebreidelde regelneverij? Michel Vermaerke, gedelegeerd bestuurder van Febelfin en van de Belgische Vereniging van Banken en Beursvennootschappen (BVB), Daniel Nicolaës, voorzitter van de Vereniging Zelfstandige Bankagenten en Piet Verbuggen, voorzitter Directiecomité DL Bank schaarden zich rond tafel om hierover te debatteren.

DL Magazine: Laten we meteen met de hamvraag beginnen: Is de financiële sector overgereguleerd?
Michel Vermaerke: “In Europa bestaat er een politieke consensus over het behoud van de welvaartsstaat. Het verdrag van Lissabon laat daar geen twijfel over en stelt dat we die doelstelling enkel kunnen bereiken door het vrijmaken van de markten meteen te koppelen aan een reglementering ervan. De vraag luidt dus: gebeurt die reglementering met de nodige kwaliteit, tijdigheid en flexibiliteit? Veel Europese initiatieven starten vol goede bedoelingen, maar de complexiteit neemt toe naarmate ze op Europees, nationaal en toezichtniveau verder worden uitgewerkt. In dat proces ontstaat een veelvoud van comités die een enorme geldingsdrang aan de dag leggen, met een lawine reglementen tot gevolg. Bovendien zijn de opstellers vaak recent afgestudeerden met goede intenties en een goede theoretische basis, maar weinig praktijkervaring. Ten slotte stellen zich in België kwalitatieve problemen op wetgevend vlak. Eén voorbeeld: in december 2004 joeg de regering de deplafonnering op de beurstaks door het parlement, om ze twee weken nadien weer in te trekken vanwege de negatieve impact ervan op de economie en op de schatkist.”


Peter Verbruggen: “Bepaalde reglementeringen zijn nuttig en maatschappelijk noodzakelijk, maar op kwalitatief vlak loopt het inderdaad mank. Vaak worden wetten om de haverklap gewijzigd omdat ze onvoldoende doordacht zijn, te vaag of te gedetailleerd. Denken we maar aan de opeenvolgende wetswijzigingen inzake Beveks of de vele onduidelijkheden omtrent de EBA. Men verliest bovendien uit het oog dat wij managers zijn en opereren onder de controle van onze aandeelhouders. Te veel en te gedetailleerde reglementen schieten hun doel voorbij. Ook zeer vervelend is de timing: veel wetten komen te laat waardoor we onze programma’s niet tijdig kunnen aanpassen. Plato zei: laat ons 100 wetten maken en laat een rechter ze interpreteren. We moeten teruggaan naar die sfeer: blijf bij de essentie, laat de rest over aan de markt en stel mensen voor hun eigen verantwoordelijkheid.”


Daniel Nicolaës: “Op zich heb ik geen probleem met de Europese reglementering, wel met de nationale vertaling ervan. Vaak blijft die zeer abstract, waardoor er verschillende interpretatiemogelijkheden ontstaan. Vooral op gebied van compliance merk ik dat de ene bank de reglementering veel strikter toepast dan de ander.”


DL Magazine: Is de wetgeving inzake compliance niet dezelfde voor alle banken?
Daniel Nicolaës: “Compliance is vandaag een zeer hot item in onze sector. Bij de ene bank dient de kantoorhouder bvb elke transactie vanaf 25.000 euro te melden aan de compliance officer, bij een andere bank ligt dat bedrag veel hoger. Op die manier strijden we met ongelijke wapens. Misschien is daar een taak weggelegd voor de CBFA (Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen) of de BVB.”


Michel Vermaerke: “Compliance officers voeren enkel uit wat uitdrukkelijk in de wet wordt vermeld, of in de company policy. De BVB heeft het initiatief genomen om te helpen bepaalde normen op te leggen om een level playing field te creëren, maar die zullen een zekere vrijheid toelaten. In andere gevallen primeert de commerciële vrijheid. We mogen immers niets doen dat indruist tegen het concurrentierecht. Bovendien wensen we ons zelf niet schuldig te maken aan een overdreven reglementering.” 


Peter Verbruggen: “Als kantoorhouder ben je verplicht alle ‘verdachte’ transacties te melden. Maar los daarvan kan een bank bijvoorbeeld beslissen dat alle verrichtingen boven de 25.000 euro moeten worden gemeld aan de compliance officer. Dergelijke bepalingen kunnen verschillen van bank tot bank.”

DL Magazine: Veroorzaakt dat alles geen reusachtige papierenmolen in de kantoren?
Daniel Nicolaës: “Bankkantoren verdrinken in het papier. Bijvoorbeeld: we dienen een map aan te leggen voor verdachte transacties, een voor cashstortingen, een voor buitenlandse transfers… Dat alles veroorzaakt enorm veel extra werk. Wij dringen dan ook aan op een gebruiksvriendelijkere implementatie van de regelgeving, veel zaken kunnen immers perfect  informaticatechnisch worden opgelost.”
Peter Verbruggen: “De meeste banken zijn daarmee bezig, maar kijken de kat uit de boom omdat de wetgeving terzake volop in beweging is. Bovendien moeten we eerst een leerproces ondergaan en voldoende knowhow opbouwen, bijvoorbeeld inzake het risicoprofiel van cliënten.”   

DL Magazine: Krijgen banken niet steeds meer overheidstaken toebedeeld? 
Daniel Nicolaës: “Ik maak een onderscheid tussen preventieve en repressieve wetgeving. Wat mij vooral zorgen maakt, is dat je als bankagent of financieel tussenpersoon verplicht bent elke ‘verdachte’ transactie te melden. Dat legt een enorme verantwoordelijkheid op onze schouders, want wat is ‘verdacht’? Bij het minste vermoeden zijn we verplicht aangifte te doen. In de praktijk is dat niet werkbaar. We zijn immers geen politieagenten.”


Peter Verbruggen: “De overheid legt inderdaad verantwoordelijkheden bij mensen die ze niet kunnen nemen. Bovendien verandert de maatschappij voortdurend en zijn bepaalde zaken die vijf jaar geleden volledig toelaatbaar waren dat vandaag niet meer. Maar je wordt voor daden van vroeger wel bekeken door de bril van vandaag. De overheid meet banken ook steeds vaker een fiscale rol aan, en schuift meer en meer sociale verplichtingen door, zoals het basisbankpakket”.

DL Magazine: Hebben financiële dan geen maatschappelijke opdracht te vervullen?
Peter Verbruggen: “We hebben geen probleem met de algemene principes: verdachte kapitaalstromen en transacties monitoren e.d. Maar men overdrijft op het vlak van diepgang en detaillering, en vergeet vaak de reeds bestaande reglementering. Neem bvb de zogenaamde PEP’s (Politically Exposed Persons), waarbij we private cliënten moeten screenen op hun politieke achtergrond. Dat is schieten met een kanon om een mug te treffen. Er bestaan immers al voldoende acceptatievoorwaarden voor cliënten.”


Michel Vermaerke: “Bij de overheid bestaat inderdaad in bepaalde kringen soms de neiging om bankdiensten te beschouwen als openbare diensten, vandaar de strenge reglementering. De doelstellingen kunnen lovenswaardig en nobel zijn, maar door alles tot in het kleinste detail voor te schrijven, worden zaken die ter goeder trouw zijn nodeloos belast.”
 
DL Magazine: Is veel van de extrareglementering niet gericht tegen het voorkomen van financiële wanpraktijken, denk maar aan Barings of Enron?
Michel Vermaerke: “De Enron case heeft in de VS geleid tot de Sarbanes-Oxley Legislation, die onder meer CEO’s en CFO’s van beursgenoteerde bedrijven verplicht om de correctheid van alle financiële bedrijfsinformatie te bevestigen met hun persoonlijke handtekening. Dat heeft compliance een enorme boost gegeven. Na Cost, Competition, Customer Focus is Compliance de vierde ‘C’ geworden binnen de financiële sector.”


Peter Verbruggen: “Van zodra iets dergelijk gebeurt, regent het nieuwe reglementen, hetgeen de efficiëntie zeker niet ten goede komt. Neem alle maatregelen ter bescherming van de consument: die zijn zodanig ingewikkeld dat niemand ze nog kent. Een algemene beschermingsregel volstaat. Als er zich een probleem voordoet, kan een gezonde dialoog met de kantoordirecteur veel oplossen. Zoniet is er nog altijd de ombudsman…Wanpraktijken houdt je niet tegen met de wetgeving, je kan nu eenmaal niet alles voorkomen. Het komt eropaan te handelen als een goed huisvader, op basis van een degelijke beleidsverklaring. Een gezin die de kinderen honderden regels oplegt, functioneert niet.”


Michel Vermaerke: “In de maatschappij zijn disfunctionele gezinnen, maar dat betekent nog niet dat de overheid haar gezinsbeleid alleen op die gezinnen moet afstemmen. Hetzelfde uitgangspunt moet gelden voor de financiële sector: de overgrote meerderheid kwijt zich correct en op maatschappelijk verantwoorde wijze van zijn taken. Laten we vooral daar rekening mee houden en preventieve maatregelen nemen om zoveel mogelijk randgevallen uit te sluiten en op te vangen. Anderzijds blijkt uit ervaring dat alles herleiden tot een aantal grote principes aanleiding geeft tot achterpoortjes, dus ook hier dienen we tot een evenwicht te komen.”


Daniel Nicolaës: “Door de recente beursrecessie hebben veel banken een slecht imago gekregen omdat ze bepaalde beleggingsproducten verkochten aan een verkeerde doelgroep. Een cliënt van 80 moet je niet op de Nasdaq laten spelen. Vandaag dienen we alle cliënten een bepaald risicoprofiel aan te meten, maar dat gaat alweer gepaard met een reusachtige papierenmolen.”  

DL Magazine: Hier komen we op het terrein van Bazel. Bestaat hierover ook ontevredenheid?
Michel Vermaerke: “Bazel II is een internationale norm die niet alleen moet worden omgezet in een Europese reglementering, maar die ook geldt voor andere internationale spelers zoals de Amerikanen, vandaar de complexiteit. Maar Bazel II bevat ongetwijfeld positieve elementen. Zo bepaalt het assessment report van Barcelona dat de kapitaalkost voor banken met 15% naar beneden moet. Het probleem met Bazel is dat er geen toezichthouder is op wereld- en Europees niveau, enkel op nationaal vlak. Je moet dus een complexe nieuwe reglementering toepassen op doorgaans internationale financiële groepen, met behulp van nationale toezichthouders. Europa is – terecht of ten onrechte - nog niet toe aan een harmonisering van dat toezicht, wel probeert men tot een standaardisatie te komen, o.a. via het pas opgerichte comité van European Banking Supervisors.”


Peter Verbruggen: “De grote lijnen van Bazel II zijn ongetwijfeld toe te juichen: een betere classificatie van de kredietrisico’s, de aandacht voor operationele risico’s, betere rapportering, de opgelegde kapitaaleisen staan meer in verhouding tot de reële kredietrisico’s… Andere zaken zijn dan weer bijzonder complex en bijna niet uitvoerbaar, of gaan te veel in detail.”

DL magazine: Is de financiële sector op bepaalde terreinen vragende partij voor nieuwe reglementering?
Peter Verbruggen: “Dat gebeurt meestal om een bestaande reglementering te wijzigen: omdat ze concurrentieel nadelig is ten opzichte van het buitenland, niet uitvoerbaar is, of teveel openstaat voor interpretatie.”  

  
Michel Vermaerke: “Het Febelfin (Belgische Federatie van het Financiewezen) heeft een sensibiliserende taak naar de overheid toe om te wijzen op de negatieve neveneffecten van de wetgeving. Daarnaast moeten we blijven aandringen op een open dialoog en streven naar  wetten die uitvoerbaar zijn op het terrein. We kunnen wel klagen, maar het is ook onze taak om initiatieven te nemen zodat we tot een pragmatische oplossing kunnen komen. De meerderheid van onze gesprekpartners bij de overheid staat open voor dialoog en is vatbaar voor rede. Uiteraard is er ook een kleine meerderheid van kritikasters voor wie het nooit genoeg is, maar zoals Guido Gezelle ooit zei: wie niet tegen het ritselen kan, moet niet in het bos gaan wandelen.” 

 

09:47 Gepost door Jean Lievens in economie en financiën | Permalink | Commentaren (0) | Tags: economie en financien, debatten, 027 |  Facebook |