31-10-07

Regionale radiokapers aan de kust

Onderstaande tekst dateert van januari 2004 en werd geschreven in opdracht van Headline Publishing Agency voor Concreet, blad van Concentra Media Groep.

Regionale radiokapers aan de kust

“Wie dankzij ons tien minuten eerder thuis komt, zal naar ons luisteren”

Vlaanderen wordt vijf regionale zenders rijker. Het frequentieplan dat binnenkort in voege treedt, voorziet nieuwe frequenties voor alle niet-openbare radiozenders en maakt bovendien plaats voor één regionaal radiostation per provincie. Wat zijn de slaagkansen van die neofieten? Gaan ze luisteraars en adverteerders wegsnoepen van de nationale en lokale zenders? Of zullen ze die juist aanvullen? Betekent meer radio ook betere radio? We schaarden ons rond tafel met  een aantal belanghebbende partijen.

De mediaplanners zien de komst van de regionale zenders al vast zitten. Hoe fijnmaziger het net, hoe meer vliegen ze kunnen vangen. “Als de markt ons meer keuzemogelijkheden biedt, kunnen wij onze campagnes fijner uitstippelen,” zegt Bart Jespers, mediaspecialist van DMF Media, de media-afdeling van het reclamebureau Dubois Meets Fugger. “Maar dan moeten de regionale zenders wel voldoende luisteraars kunnen lokken”. Is dat mogelijk in het kleine Vlaanderen, dat met de VRT-zenders, Q Music, FM4 en zijn lokale radiostations toch zeker niet stiefmoederlijk bedeeld is. “Ja,” zegt Koen Vanparys, de stafmedewerker van Concentra Media die het dossier van de regionale radio heeft voorbereid. “Kijk maar naar Nederland, waar de regionale zenders 30% van de luisteraars bereiken. Bovendien hebben ze zich mooi genesteld naast de nationale zenders en leven er harmonieus mee samen. Je kan als luisteraar nu eenmaal dagelijks op verschillende zenders afstemmen. We hoeven onze doelgroep dus niet weg te halen bij een ander. Wat telt, is het weekbereik.”

De strijd om de luisteraar

Denken ze op de Reyerslaan daar hetzelfde over? De regionale radio’s komen immers gevaarlijk dicht in de buurt van Radio 2, die al meer dan 20 jaar verschillende keren per dag regionale uitzendingen verzorgt per provincie. “We blijven hoed dan ook concurrenten,” merkt VRT-woordvoerder Paul De Meulder op. “Maar mijn eerste principe is nog altijd: hoe meer er binnen het medium gebeurt, hoe beter voor het medium. We kunnen allemaal toffere programma’s maken, betere informatie brengen en die informatie beter organiseren. Maar Vlaanderen is klein en de groeimogelijkheden beperkt. De nieuwe regionale zenders zullen alternatieven brengen en de bestaande zenders aanvullen, maar vergeet niet dat de belangrijkste reden om te luisteren nog altijd muziek is.” Hoe zal de  VRT reageren? “Zo goed mogelijke programma’s maken,” sust Paul De Meulder. “En proberen zo fijnmazig mogelijk te zijn qua informatie-input.” Anderzijds moet voor Radio 2 die formatie relevant zijn voor de hele provincie. “Wat er gebeurt in straat X in gemeente Y is allicht belangrijk nieuws voor de bewoners van de straat, maar misschien al minder voor de gemeente en nog minder voor de streek, “ aldus nog de woordvoerder van de VRT. Wilfried Celis, sales director van RTVM, ziet vooral brood in uitgebreide verslaggeving van plaatselijk nieuws: “Een brand in Dendermonde krijgt misschien een halve minuut aandacht op de nationale zenders, maar plaatselijk blijft ze veel langer nasmeulen. Regionale zenders kunnen daar veel meer aandacht aan schenken en zodoende luisteraars lokken.” Volgens Jan Sintobin, afgevaardigd bestuurder van Top Interieur is niet alleen de aard van de nieuwsberichten belangrijk, maar ook het moment waarop ze de ether ingaan. “Automobilisten die naar huis rijden, willen graag weten wat er tijdens de dag in de wereld gebeurd is en stemmen af op de nationale zenders. Daar kunnen de regionale zenders niet tegenop.” Het komt er dis op aan om de kanonnen te richten tijdens de zwakkere momenten in de programmering van de concurrentie.  

Uw lokale gids door de verkeersellende

Complementair, aanvullend, informatief, muzikaal… Allemaal goed en wel, maar laten we de koe bij de horens vatten en eens bekijken wat er al concreet op stapel staat. Koen Vanparys is goed geplaatst om het weten. “Van zodra de frequenties worden vrijgegeven, staan we klaar om in de ether te gaan met een krachtige 50 kW-zender. Vandaag komen zo’n 100.000 luisteraars rond in de buurt van die frequenties en dat is onze eerste visvijver. We zullen hen in een eerste fase verwelkomen met non-stop muziek en informatie. In een tweede fase volgt een volwaardig ochtendnieuwsprogramma, maar dan vanuit een andere, creatievere invalshoek. We voorzien ook een specifieke redactie voor lokale verkeersinformatie. Een automobilist die vastzit op de Antwerpse ring zal het worst wezen dat er een file staat in Lummen. Bovendien slibt niet alleen de Ring dicht, maar alle verkeersaders er rond. Het is juist onze taak om via plaatselijke correspondenten de chauffeurs te gidsen door de verkeersellende. En als iemand afstemt op onze zender en daardoor tien minuten vroeger thuis komt, zal hij blijven luisteren.” Volgens Koen Vanparys worden vooral de life-uitzendingen belangrijk, bijvoorbeeld een debat op zondagvoormiddag, in samenwerking met de regionale tv, waarbij de luisteraars kunnen inbellen en vragen stellen. “Eigenlijk is radio niet meer dan de optelsom van een koffertje en mensen. Je neemt dat koffertje mee naar een plaats, en als je de juiste mensen hebt, dan klinkt dat geweldig!” En hebben ze die? “We investeren in twaalf,  vooral creatieve medewerkers: journalisten, programmamakers… Voormalig VTM-journalist Kris Deborggrave, een gekend figuur die zeer goed vertrouwd is met de streek, wordt programmadirecteur.”

De slag om de adverteerder

Delen de adverteerders het optimisme van de initiatiefnemers van de regionale zenders? Jan Sintobin: “Voor ons is adverteren via de nationale media nauwelijks haalbaar en ook niet opportuun. ‘Nationale’ radiospots kunnen nog net, hoewel ze bij veel luisteraars hun doel missen. Je rijdt niet van Lanaken naar Massenhoven om een kleerkast te kopen. De komst van de regionale zenders zijn voor ons een serieuze aanvulling om efficiënte campagnes te voeren.” Kleinhandelaars en supraregionale adverteerders zijn volgens Wilfried Celis in een eerste fase wegens evidente redenen de belangrijkste doelgroep van de regionale zenders. Maar hij is er rotsvast van overtuigd dat ook nationale adverteerders de regionale zenders zullen gebruiken om in welbepaalde regio’s extra reclamedruk te brengen. Alleen zullen die allicht wachten tot ze overtuigd zijn dat hun budget welbesteed is, met andere woorden, tot de eerste keiharde luistercijfers weerklinken. En die verwacht hij hooguit begin 2005. Celis denkt dan ook dat de regionale zenders het hard zullen te verduren krijgen in hun eerste levensjaar. “De markt stagneert en we verwachten geen spectaculaire groei in de nabije toekomst. RTVM is kandidaat regie voor de commercialisering van de regionale zenders en voor ons is het ook heel belangrijk dat we de adverteerders een homogeen product kunnen aanbieden. De vijf zenders zullen daarom een gelijkaardig profiel moeten hebben.”

Ook Jan Sintobin maakt zich geen illusies: “Algemeen gezien zal het publiciteitsbudget in Vlaanderen in de komende jaren niet veel stijgen.” Met andere woorden: er zullen ook verliezers zijn. De kapers op de kust vissen misschien wel in dezelfde vijver als Radio 2, maar volgens Bart Jespers zou iemand anders wel eens de dupe kunnen worden: “Het is best mogelijk dat vooral de regionale en provinciale media zullen inleveren: kranten, de regionale tv-stations…” De directie van RTVM volgt de nieuwe etherontwikkelingen  inderdaad met Argusogen. “Onze focus blijft gericht op de regionale tv-zenders,” zegt Wilfried Celis, “maar als we de regie van de regionale zenders binnenhalen, zullen we daar een apart en toegewijd team op zetten. Zo kunnen we beiden netjes scheiden, maar toch ook complementaire pakketten uitwerken die radio en tv combineren.”
 “Voor een heleboel adverteerders is regionale tv en radio te hoog gegrepen. Wij zullen een aanvaardbaar prijsniveau uitwerken, zodat radioreclame bij wijze van spreken ook kan voor de bakker op de hoek,”  verzekert Vanparys. “Je zal bovendien een campagne van een week kunnen voeren voor de prijs van één spotje op Donna.” Wilfried Celis merkt op dat er afspraken zijn gemaakt om een einde te maken aan de onderlinge prijzenoorlog waar niemand beter van wordt. “Onze unanieme doelstelling is om met aanvaardbare en stabiele prijzen in de markt te stappen en niet de spiraal te volgen van de psychologische lage kost per GRP.”


Niet lopen vooraleer je kan stappen

Bart Jeespers betreurt van zijn kant de provinciale afbakening van de zenders. Wat heeft iemand van Mechelen, Lier of Mol te maken met een geboren en getogen Sinjoor van de Metropool? Alleen door de regionale zenders te ontkoppelen, kunnen geografische doelgroepen beter worden afgebakend. Maar tot waar kan je ontkoppelen? Voor je het weet, kom je in het vaarwater van de lokale zenders terecht. En kan een luisteraar van Sint-Niklaas die werkt in Antwerpen afstemmen op de Antwerpse zender? “Technisch gezien is er geen probleem en we hebben dat ook voorzien,” zegt Vanparys. “Het frequentieplan houdt rekening met de mogelijkheid om te koppelen en we kunnen bijvoorbeeld Antwerpen-Stad, Mechelen en de Kempen perfect apart bedienen.” Maar Sintobin vindt dat we niet moeten lopen vooraleer we kunnen stappen. “Ik denk dat we in de eerste plaats programma’s moeten brengen die dicht bij de mensen staan, over ‘de dingen des levens’. Dat is ook de mening van Vanparys: “Antwerpen stad is bijv. demografisch  volledig anders samengesteld dan de rest van de regio. Er wonen vooral ouderen en jongeren, terwijl de middenmoot met kinderen verdwijnt naar de groene rand. We moeten daar rekening mee houden in onze promotie en programmatie, maar aangezien we 24/24 uur uitzenden, kunnen we dat ook makkelijker aan. Onderzoek heeft uitgewezen dat inwoners buiten de stedelijke centra nogal eens het gevoel hebben dat er op hen wordt neergekeken. We moeten daarom alle luisteraars respecteren, ons vooral concentreren op wat ze gemeenschappelijk hebben en hun harten aanspreken.”

 

10:55 Gepost door Jean Lievens in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: 033 |  Facebook |

29-10-07

De geschiedenis van de belastingen

Deze tekst dateert van juli 2005 en verscheen in het magazine van Philip Morris, geproduceerd door Headline Publishing Agency.

De geschiedenis van de belastingen

Schrik niet te hard, maar belastingen zijn een teken van beschaving. In tegenstelling tot wat de Flintstones ons willen doen geloven, betaalden onze prehistorische voorouders geen belastingen. Maar ze beschikten dan ook niet over wegen, scholen, hospitalen… kortom, allerlei gemeenschappelijke voorzieningen waarvan iedereen kan genieten, en die betaald worden met belastingsgeld.

Belastingen zijn persoonlijke bijdragen aan gemeenschappelijke uitgaven. Dat hoeft niet noodzakelijk in de vorm van geld te zijn. Zo kenden de Israëlieten voor onze jaartelling een belastingsheffing in de vorm van het afstaan van vee of graan. Naarmate de samenleving zich verder ontwikkelde en complexer werd, groeiden de gemeenschappelijke uitgaven en werden de belastingen steeds inventiever en… zwaarder. Laten we u even meenemen op een reis doorheen de tijd….

Oude Belgen: schatplichtig aan de Romeinen

De oude Egyptenaren waren verplicht om gratis mee te werken aan de bouw van de piramiden. Van een belasting gesproken! Maar eigenlijk waren de eerste belastingen “vrijwillig”: geschenken in natura aan stamhoofden, koningen, farao’s… Gaandeweg kregen ze een verplichtend karakter.

In onze contreien werden de eerste belastingen ingevoerd door de Romeinen. De macht van het oude Rome strekte zich uit over heel Zuid- en Midden-Europa, met de Rijn als noordergrens. De bewoners van de veroverde gebieden betaalden een belasting op het gebruik van de grond (tribtum soli), waarmee de Romeinse Keizer ondermeer wegen en forten liet bouwen. Vlak voor onze jaartelling liet keizer Augustus volkstellingen houden om het aantal inwoners per provincie te kennen. Iedere burger werd ingeschreven in een bevolkingsregister ‘avant la lettre’, en diende een verklaring over zijn bezittingen af te leggen aan de belastingsambtenaar. Op die manier kon het Romeins bestuur een schatting maken van de verwachte inkomsten en een rudimentaire begroting opmaken.  

Betalen in graan en vee

De middeleeuwse samenleving was ingedeeld in standen: bovenaan troonde de koning of keizer, met daaronder de geestelijkheid en de edellieden. Helemaal onderaan de ladder stonden de boeren (lijfeigenen) op het platteland en de burgers (handelaren en ambachtslui) in de steden. Telkens de koning geld nodig had, ging hij ‘bedelen’ bij de graven. Oorspronkelijk waren die ‘beden’ eenmalige bijdragen om bijvoorbeeld een kasteel te financieren, maar stilaan werden ze een vaste bron van inkomsten waarmee de vorst zijn hofhouding onderhield, oorlog voerde, enz. De graven klopten op hun beurt aan bij de boeren, die een deel van de opbrengst van hun grond in natura afstonden aan hun ‘leenheer’.

De geboorte van de accijnzen en wegentaks

Vanaf de twaalfde eeuw begonnen graven, hertogen en bisschoppen stadsrechten te verlenen aan de opkomende steden: ze mochten een muur bouwen rond de stad, markten houden… en ook eigen belastingen heffen, niet alleen om hun verplichtingen tegenover de vorst na te komen, maar ook om straten, muren, poortwachters… te betalen. De meest voorkomende belastingen waren accijnzen: heffingen op levensnoodzakelijke goederen zoals brandhout, zout, zeep, graan, meel, wijn, turf, kolen, enz. Een andere belastingssoort was de tol, ondermeer voor het gebruik van bruggen en wegen.

De steden kenden ook een systeem van verpachting, dat tot halverwege de achttiende eeuw overeind is gebleven. De inning van bepaalde belastingen werd uitbesteed aan belangrijke, rijke personen. Bijvoorbeeld: een wijnhandelaar was tegelijkertijd pachter van de wijnaccijns. Meestal inde hij meer accijnzen dan hij moest afstaan aan het stadsbestuur, wat hem een mooie bijverdienste opleverde. Ook accijnzen op tabbak dateren uit die periode.

Alva: de uitvinder van de BTW

Halverwege de zestiende eeuw kwamen de Lage Landen terecht onder het juk van de Spaanse koning Philips II, die de beruchte Alva stuurde om de orde te handhaven. Alva maakte zich bijzonder gehaat door het systeem van de beden af te schaffen en een algemene belasting in te voeren van één procent op de waarde van alle goederen (100ste penning), en vijf procent op de waarde van alle onroerende goederen (20ste penning) als ze van eigenaar verwisselden. Toen hij ook de 10de penning wou invoeren, brak de hel los. De 10de penning was een soort van BTW (van 10%), te betalen bij elke koop en verkoop van een onroerend goed. Het verzet tegen zijn belastingsplan mondde uiteindelijk uit in de Tachtigjarige Oorlog… Belastingsheffingen hebben in de geschiedenis wel vaker aanleiding gegeven tot oorlogen en revoluties. De Amerikaanse Onafhankelijk van 4 juli 1776 was het resultaat van een oorlog tegen de Britten. Het vuur aan de lont was een protestactie tegen een taks op thee, die de geschiedenis is ingegaan als de ‘Boston Thee Party’.  

Napoleon: grondlegger van de moderne belastingen

Tussen 1795 en 1815 zwaaide Napoleon de scepter over Europa. In 1805 voerde hij voor heel de republiek een belastingsstelsel in, dat voor het eerst rekening hield met de draagkracht van de belastingplichtigen. Een heleboel accijnzen verdwenen en in de plaats kwam een belasting op het inkomen. Hoe rijker je was, hoe meer belastingen je moest ophoesten. De rijkdom werd gemeten aan de hand van het aantal dienstboden, paarden, haardsteden, deuren en vensters… Een overblijfsel van de belasting op ramen kan je vandaag nog zien aan de dichtgemetselde ramen van sommige oude herenhuizen. Doorheen de geschiedenis hebben mensen zich immers altijd bijzonder inventief gevonden om belastingen te ontduiken.In de loop van de negentiende eeuw verschoof het zwaartepunt van de belastingsdruk steeds meer naar inkomsten, vermogens en winsten. Dat was in elk geval eerlijker dan de middeleeuwse accijnzen die iedereen moest betalen, arm of rijk.

En vandaag…

U merkt het, nogal wat belastingen stammen uit een ver verleden. Vandaag onderscheiden we fundamenteel twee soorten belastingen: directe en indirecte. Directe worden geheven op de winsten van de bedrijven (vennootschapsbelasting), de inkomsten uit arbeid (personenbelasting) en uit kapitaal (bijv. voorheffing op interesten uit obligaties). Als we erfenis- en schenkingsrechten niet meetellen, kent België geen vermogensbelasting, dat is een belasting op bestaande rijkdom. Indirecte belastingen zoals de BTW en accijnzen maken goederen duurder. Maar de zwaarste belasting hebben we nog niet vernoemd. Dat zijn de sociale bijdragen van werkgevers en werknemers die de sociale zekerheid (gezondheidszorg, pensioenen, vervangingsinkomens…) financieren. Die ‘belasting’ weegt bijzonder zwaar door op de loonkosten. De totale belasting op arbeid (inkomstenbelasting plus bijdragen aan de sociale zekerheid) is in België goed voor 55% van de overheidsinkomsten, dat is 4 procent boven het Europese gemiddelde. De regering zoekt daarom naar andere middelen om de sociale zekerheid te financieren, zoals een verhoging van de BTW. Maar dat is dan weer een ander verhaal.    

09:38 Gepost door Jean Lievens in economie en financiën | Permalink | Commentaren (0) | Tags: 032 |  Facebook |

De opvolging in het familiebedrijf: een uitdaging

Deze tekst dateert van december 2004 en werd geschreven in opdracht van Publitec voor ING Onderneming. Het betreft een samenvatting van een VOKA-bijeenkomst.


De opvolging in het familiebedrijf: een uitdaging

Voor heel veel ondernemers is het regelen van de opvolging binnen het familiebedrijf een heikele opdracht. Over die problematiek organiseerden Voka – Kamer van Koophandel Halle-Vilvoorde en ING op 9 december 2004 een boeiende infoavond waarop heel wat topics de revue passeerden.

Eerste spreker was Jozef Lievens, advocaat bij Eubelius en medeoprichter van het Instituut voor het Familiebedrijf. Hij stak meteen van wal met een opmerkelijke oneliner: “Elk familiebedrijf heeft drie problemen: de opvolging, de opvolging en de opvolging.” Die uitspraak zette hij kracht bij aan de hand van enkele statistische gegevens. Over een periode van zestig jaar is 80% van de familiebedrijven verdwenen en maar13% nog in familiale handen. 30% van de familiale ondernemingen gaat over naar de tweede generatie, 12% naar de derde en een schamele 3% houdt het vier generaties vol.

Opvolging is een complex proces

Jozef Lievens ontwikkelde het zogenaamde ‘opvolgingswiel’, een model dat de opvolgingsproblematiek in kaart brengt, met aan de buitenkant de acteurs (overdrager, bedrijf, opvolger(s) en de familie) en aan de binnenkant een beschrijving van het proces in stappen. De regeling van de opvolging is een ingewikkeld proces dat begint met bewustwording en vijf tot tien jaar kan duren. Het proces verloopt niet lineair; soms is het nodig twee stappen terug te zetten alvorens opnieuw vooruit te kunnen (hoog ‘Echternach-gehalte’). 

Jozef Lievens telt liefst veertig variabelen die het opvolgingsproces beïnvloeden. Bovendien mag tijdens die ‘overgangsperiode’ de goede running van de onderneming niet in het gedrang komen. In het begin heerst grote onzekerheid: psychologisch, over de familie, over de persoonlijke financiële situatie, over het bedrijf zelf. Die onzekerheid moet worden omgebogen in zekerheid, onder meer door een professionalisering van het management en financiële planning.
“In de jaren ’80 beschouwde men een nauwgezette planning als de bepalende succesfactor voor een geslaagde opvolging”, aldus Jozef Lievens. “Maar uit recent intensief onderzoek is gebleken dat constructieve familiale relaties doorslaggevend zijn, gevolgd door de bekwaamheid van de opvolger en dan pas de planning.” Vooral de communicatie binnen de familie verdient meer aandacht, vandaar het belang van een familieforum en –charter.

Aandachtspunten

Daarna was het de beurt aan André Geeroms, consultant bij Deloitte, die enkele aandachtspunten bij de overdracht van een onderneming onder het spotlicht bracht. De bedrijfsleider dient allereerst zijn onderneming klaar te maken voor de overname. Een overnemer is enkel geïnteresseerd in de kernactiviteiten. Daarom moeten alle overbodige activa worden afgestoten (bijvoorbeeld een stuk bouwgrond, een woning, bepaalde voertuigen), evenals de nevenactiviteiten en overbodige cash . De overlatende bedrijfsleider moet transparante cijfers kunnen voorleggen om het vertrouwen van de koper te winnen. Eens die is gevonden, sluit hij een vertrouwensovereenkomst af, liefst met een boeteclausule, en een intentieverklaring (wie doet wat tegen wanneer).

Bij de due diligence geldt het motto: ken u bedrijf, wees dus voorbereid! Na enkele woorden over de contractuele en postcontractuele fase, waarin de overgang van bestuur wordt voorbereid, vestigde André Geeroms de aandacht op de financieringsproblematiek. Het is bijvoorbeeld zeer belangrijk om bij een variabele prijs op voorhand objectieve en controleerbare criteria te bepalen. Bij een gespreide betaling is een bankwaarborg een must en prijscorrecties (in geval van ‘lijken in de kast’) dienen beperkt te worden in de tijd. André Geeroms rondde zijn betoog af met enkele juridische en fiscale hete hangijzers (zie extra web), en besloot met de wijze woorden: “Wie een overdracht professioneel aanpakt, zal niet zo gauw voor verrassingen komen te staan.”

Hoeveel is mijn onderneming waard?

René Rosiers, Head M&A Middle Market ING Belgium nam de fakkel over met een onderwerp waarop heel wat aanwezigen zaten te wachten: de waardering van de onderneming. “De waardering is het meest delicate aspect bij verkoopsonderhandelingen”, aldus René Rosiers. “Zolang de partijen het niet eens zijn over de waardering, heeft het geen zin om verder te onderhandelen.” De waardebepaling is een moeilijke oefening omdat het geen exacte wetenschap is en men zowel het verleden, het heden als de toekomst in rekening moet brengen.

 René Rosiers onderscheidt liefst zestien soorten van waarde: boekwaarde, intrinsieke waarde, kredietwaarde, marktwaarde, toegevoegde waarde…  en allen zijn medebepalend voor de waardebepaling. Essentiële elementen zijn echter: een zuivere balans, regelmatige inkomsten, structuur, onafhankelijkheid, financieel evenwicht, return on capital en de levenscyclus. Zo moet de balans een correcte weerspiegeling zijn van de onderneming, mag de bedrijfsleider niet alle activiteiten naar zich toetrekken, mag het bedrijf niet te afhankelijk zijn van bepaalde klanten (bij meer dan 10% afhankelijkheid betreedt men de gevarenzone), maar ook niet van zijn leveranciers en personeel.

De capaciteit om consistente cashflows te genereren, is doorslaggevend bij de waardepaling. Het verleden is geen waarborg voor de toekomst, wel een maatstaf. Toch dringen zich correcties op: wegfilteren van uitzonderlijke kosten of opbrengsten, van kosten die vreemd zijn aan de exploitatie, een ‘abnormaal’ loon van de bedrijfsleider… René Rosiers eindigde zijn betoog met enkele methoden van waardebepaling, waaronder een aantal ‘quick tests’.

Ondernemers aan het woord

De infosessie werd afgerond met getuigenissen van twee sprekers die bereid waren hun praktijkervaring te delen met het publiek. Arthur Jan Pierre, gedelegeerd bestuurder Pierre Management Consultancy sprak over de knelpunten bij het overlaten van een familiebedrijf aan de volgende generatie. Jean-Claude Wibo, gedelegeerd bestuurder Vlassenroot, gaf een gesmaakte speech, doorspekt met interessante anekdotes over onder meer de waardering, de moeilijke waardebepaling van voorraden, de rol van raadgevers, de bedrijfscultuur, omgaan met verandering en psychologische elementen. Zo kan een foto aan de muur van de vorige eigenaar al wonderen doen om als overnemende partij aanvaard te worden…

09:25 Gepost door Jean Lievens in bedrijfsnieuws | Permalink | Commentaren (0) | Tags: 032, besrijfsnieuws |  Facebook |