13-09-07

Brazilië: de poort naar Latijns-Amerika

Dit is een deel van een artikelontwerp, geschreven in opdracht van Publitec voor ING Onderneming (in juli 2006)

Brazilië: de poort naar Latijns-Amerika

Hoewel de economische groei van Brazilië minder spectaculair oogt dan die van de andere BRIC-landen, bezit het reusachtige Zuid-Amerikaanse land een groot marktpotentieel en een aantal unieke economische troeven.

Ondanks een economisch grillig verloop, sterke muntschommelingen en aanslepende economische hervormingen, scoort Brazilië zeker niet slecht bij buitenlandse investeerders. In de laatste tien jaar investeerden ze er jaarlijks gemiddeld 17,6 miljard dollar, meer dan in de andere BRIC-landen, op uitzondering van China. De OESO geeft Brazilië zelfs betere punten dan de Verenigde Staten of Japan op het vlak van openheid voor buitenlandse investeerders. De meeste grote Belgische bedrijven zijn er al present (Agfa-Gevaert, Arcelor, Barco, Beaulieu, Bekaert, De Smet, InBev, KatoenNatie, Lhoist, Magotteaux, Packo-Plurinox, Puratos, Sibelco, Solvay, Tractebel, UCB, Veos), en ook KMO’s beginnen stilaan te volgen.

Kloof tussen rijk en armer wordt iets kleiner

In oktober 2002 won voormalig vakbondsleider Luiz Ignacio Lula da Silva met ruime meerderheid de presidentsverkiezingen op basis van een ambitieus sociaaleconomisch programma, dat vooral de armere Brazilianen en de middenklasse beterschap beloofde.
Aan de vooravond van de presidentsverkiezingen van oktober 2006, lijkt de huidige president die doelstelling toch voor een deel te hebben waargemaakt. Volgens een studie van de Getulio Vargas-Stichting, een denktank in Rio de Janeiro, verdiende de armste helft van de bevolking in 2004 ruim 14 procent meer dan het jaar daarvoor. 2004 was dan ook een jaar van uitzonderlijke economische groei (4,9%), zeker in vergelijking met de quasi nulgroei van 2003.
Gevreesd werd dat Lula het hervormingsbeleid van zijn voorganger Cardoso zou terugschroeven, maar tijdens zijn eerste ambtstermijn herstelde de president het vertrouwen in de Braziliaanse markten en snoeide verder in de overheidsuitgaven. De economische groei keerde terug, de staatsschuld verminderde en het overheidstekort slonk met meer dan de helft. Volgens het onderzoeksinstituut Bloomberg is de Braziliaanse real vandaag de sterkste nationale munt ter wereld.

Economie blijft stevig groeien

In het eerste trimester van 2006 groeide het Braziliaanse Bruto Nationaal Product (bnp) met 1,4% ten opzichte van het laatste trimester van 2005. Volgens het Braziliaanse Instituut voor Statistiek is dat positieve cijfer vooral toe te schrijven aan de toenemende binnenlandse vraag en investeringen (+3,7% in vergelijking met het laatste trimester van 2005), wat wijst op een sterk ondernemingsvertrouwen in de economie.
De groei van de uitvoer, die vooral uit bulkgoederen bestaat en een fikse stijging kende in 2005, lijkt echter af te zwakken (+3,6% in het eerste trimester van 2006), terwijl de invoer in dezelfde periode sterk toenam (+11,6%). Die kentering in de handelsbalans is vooral het gevolg van de sterke opwaardering van de real in 2005 ten opzichte van de euro en de dollar.
De belangrijkste uitvoerproducten in 2005 waren uitrustingsgoederen en onderdelen voor transport (30%), metaalproducten (11,1%), sojabonen, maïs en oliën (7,3%) en chemische producten (2%); belangrijkste invoerproducten in 2004 waren machinerie en elektrische apparaten (22,9%), chemische producten (17,7%), olie en derivaten (16,4%) en uitrustingsgoederen en onderdelen voor transport (10,4%). Brazilië is ’s werelds eerste exporteur van staal, rundvlees en pluimvee, soja, koffie, en agro-derivaten als suiker en sinaasappelsap.
Merken we nog op dat Brazilië voor zichzelf een schitterende toekomst ziet weggelegd als grootste internationale leverancier van de biobrandstof ethanol. In het zuiden van het land worden 89 ethanolfabrieken gebouwd, waarvan er nog dit jaar twintig zouden operationeel worden.

Knelpunten

De uitvoer wordt niet alleen gehinderd door de versterking van de nationale munt, maar ook door de hoge rentestand en bottlenecks in havens en op wegen, veroorzaakt door de gebrekkige infrastructuur. In de jaren ’90 vond er een grootschalige privatisering plaats van de telecommunicatie, spoorwegen, elektriciteitsdistributie en snelwegen. President Lula beloofde voor zijn verkiezing een breuk met de ‘neoliberale’ politiek van zijn voorganger, maar onder zijn beleid bleven zowel privé- als overheidsinvesteringen in transport, elektriciteit en water achterwege. De gebrekkige infrastructuur zet dan ook een belangrijke domper op het economische groeipotentieel van het land en het nationale investeringsbudget van 0,5% van het bnp (2% indien men er de investeringen van de lagere overheden en staatsbedrijven bijtelt) is nauwelijks voldoende om de huidige infrastructuur in stand te houden.
Ook de bureaucratie (volgens de Wereldbank een van de meest complexe ter wereld), het zwakke juridische systeem, de stroeve arbeidswetgeving, de zware interestlast, het gebrekkige belastingsstelsel en de hoge belastingen (de overheidsuitgaven vertegenwoordigen ca 40% van het nationaal product) blijven hete hangijzers. Als tegengewicht voor de loodzware bureaucratie is e-government in Brazilië daarentegen verder ontwikkeld dan in Europa.

Voor- en nadelen

Volgens FIT (Flanders Investment & Trade) liggen de mooiste zakenkansen in de agro-industrie, de verpakkingsnijverheid, de haveninfrastructuur, de farmaceutische nijverheid, de machinesector en de milieutechnologie.
In vergelijking met China, zijn de cultuurverschillen tussen Brazilië en België minimaal. Multinationals prijzen het land voor zijn hoge productiviteit, lage kosten, efficiënte technologie en creativiteit. Het land heeft goede universiteiten en Belgische investeerders vinden er goedopgeleide, bekwame mensen. Kennis van het Portugees is wel een must.
Delcredere biedt Belgische ondernemingen een flexibele dekking voor commerciële verrichtingen op zowel korte als lange termijn. De complexe en dure invoerheffingen vormen wel een hinderpaal voor de export naar Brazilië, terwijl het voor importeurs raadzaam is om een beroep te doen op despachantes (specialisten in importformaliteiten).
Belgische bedrijven die investeren in Brazilië moeten er wel rekening mee houden dat het bijna een half jaar duur om er een bedrijf op te richten (152 dagen), driemaal zoveel als het wereldgemiddelde. Ook de complexiteit van de sociale wetgeving, de milieureglementering en het belastingstelsel is niet te onderschatten. Maar met een bevolking van 180 miljoen inwoners, waarvan meer dan 36 miljoen dezelfde koopkracht hebben als in België, is een plaatselijke vestiging het overwegen waard, zeker voor ondernemingen die mikken op lange termijn.


 
Brazilië in cijfers

Jaarlijkse gegevens 2005
Bevolking (miljoen) 181,4
Bnp (miljard USD) 795,7
Bnp/hoofd (in USD) 4.386
 
2004
Export (miljard USD) 95
Import (miljard USD) 61
Werkloosheidsgraad  11,5%
 
Gemiddelde 2001-2005
Bevolkingsgroei 1,3
Reële groei bnp 2,2
Inflatie 8,7

Bronnen: Agentschap voor Buitenlandse Handel, Economist Intelligence Unit
 

Extra info

Handelsbetrekkingen met België

In 2004 bedroeg de Belgische uitvoer naar Brazilië 995,8 miljoen euro, een stijging van 26,53% ten opzichte van 2003. Daarmee was Brazilië in rangorde de 29ste klant van België. Op de lijst van leveranciers prijkt Brazilië op de 20ste plaats: in 2004 voerde ons land voor 1.579,7 miljoen euro in (een stijging van 6,15% ten opzichte van 2003). Tijdens de eerste zes maanden van 2005 boekte onze uitvoer een verdere vooruitgang (+9,1%), terwijl onze invoer achteruitboerde (-11,3%). De handelsbalans blijft uitgesproken negatief, maar is toch duidelijk aan het verbeteren (van -408,3 miljoen euro in de eerste zes maanden van 2004 naar -266,5 miljoen euro in 2005).
De Belgische uitvoer naar Brazilië wordt gedomineerd door twee sectoren: chemische producten (34,2%) en transportmaterieel (27,9%). Daarna volgen machines & toestellen (14,8%), kunststoffen (5,8%), minerale producten (3,4%), plantaardige producten (3,2%) en onedele metalen (2,7%).
Wat de invoer betreft, namen voedingsproducten, minerale producten en onedele metalen in 2004 samen 55,3% voor hun rekening, gevolgd door papier en karton, plantaardige producten, hout, edelstenen en -metalen en machines en toestellen.


Nuttige links

Brazil Trade Net
Site waarop ondernemers met behulp van een statistiekcode per deelstaat kunnen zoeken naar Braziliaanse bedrijven. Daarnaast treft u er ook informatie over andere handelsbeurzen, online-publicaties en statistische informatie (informatie ook beschikbaar in het Engels).
www.braziltradenet.gov.br

CIA - The World Factbook
Engelstalige site met geografische, economische en overheidsinformatie over Brazilië. www.cia.gov/cia/publications/factbook/geos/br.html
 
Instituto Brasileiro de Geografia e Estatística
Website met vooral statistische informatie (ook in het Engels, maar beperkter)
http://www.ibge.gov.br/

Brazil4Business
Een onafhankelijke serviceorganisatie die niet-Braziliaanse bedrijven helpt in het benutten van kansen in Brazilië.
http://www.brazil4business.com/

Geraadpleegde bronnen

  • The Economist
    Agentschap voor Buitenlandse Handel
    Trends
    EVD – Internationaal ondernemen en samenwerken
    IPS – Inter Press Service
    De Braziliaanse Connectie – Het laatste nieuws uit Brazilië

 

10:30 Gepost door Jean Lievens in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: economie en financien, 023 |  Facebook |

26-08-07

Een nadere kijk op de Radardienst

 

Onderstaande tekst werd geschreven in 2003 in opdracht van Corporate Profiles voor het magazine van Belgocontrol.

 

De dienst Radar (E/E/R) maakt deel uit van de afdeling Engineering binnen het Directoraat-Generaal Uitrustingen. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, beperken de activiteiten van de dienst zich niet tot het radardomein. De medewerkers leveren zowel diensten aan de luchtverkeersleiding als aan de meteodienst van het Directoraat-Generaal Operaties.

Dhr. Rudy Van Hoof is momenteel waarnemend manager van de Radardienst. Hij vervangt er dhr. ArthurVanhulst, die na XX jaren dienst besloot om met vervroegd pensioen te gaan. De dienst bestaat uit vier secties: Meteo Applicaties, Radar Applicaties, Radar Bertem en Radar Saint-Hubert. In vorige edities van Hubnews kwamen de radarstations van Bertem en Saint-Hubert aan bod. Daarom gaan we hier dieper in op de twee eerstgenoemde secties.

1. Meteo Applicaties

Die sectie is verantwoordelijk voor het technisch onderhoud van drie systemen: meteorologische instrumenten, het MetSysteem en de radar- en torensimulator.

- Meteorologische instrumenten
De ploeg die instaat voor het technisch onderhoud van de meteorologische instrumenten bestaat uit Guy De Vos (Diensthoofd), André Grenier, Nicolas Dandoy, Michel Fify, Alain Lauwers, Stéphane Robert et Eric Van Daele.
De meteorologische stations van Belgocontrol leveren de weerkundige gegevens van de streek waarin ze zich bevinden. De waarnemingen hebben vooral betrekking tot fenomenen die van belang zijn voor het luchtverkeer: het huidige en voorbije weer, de windsnelheid en –richting, kwalitatieve en kwantitatieve bewolking, hoogte van het wolkendek, zichtbaarheid, visueel bereik van de piste, lucht- en bodemtemperatuur, vochtigheidsgraad, luchtdruk, barometrische evolutie, extreme temperaturen, bodemstaat, speciale fenomenen. 
Voor de waarneming van al die elementen beschikt elk meteorologisch station over een waarnemingspost en een meteorologisch park. De observatiepost is een klein, speciaal ontworpen gebouw, zodanig gesitueerd dat de waarnemer er een totaalbeeld krijgt van de omgeving. In het meteorologisch park staan de nodige instrumenten opgesteld om de plaatselijke weersomstandigheden te bepalen. Sommige instrumenten bevinden zich langsheen de pistes of aan het uiteinde ervan (transmissometer, ceilometer, anemometer…) De gegevens worden verzonden naar de waarnemingspost, waar ze door de meteorologische dienst worden verwerkt en doorgestuurd naar de verschillende diensten: ATS, Weersvoorspelling, Archivering, IRM. 

- MetSysteem
Het  technisch onderhoud van het MetSysteem wordt verzorgd door een ploeg die daarnaast ook verantwoordelijk is voor het onderhoud van de Simulator. Ze bestaat uit zeven personen: Guy De Vos (Diensthoofd), Xavier Schiefer, Peter Bomhals, Alex Bruggeman, Roger Jacquet, Alain Dereydt en Benoit Créteur. Ze zorgen er o.a. voor dat het systeem onder alle omstandigheden operationeel blijft.
Beknopt samengevat is het MetSysteem een informaticasysteem dat meteorologische gegevens verzamelt, verwerkt en doorstuurt voor de aanmaak meteorologische producten. Technisch gezien is het een netwerk van werkstations dat zich uitstrekt tot de regionale luchthavens en dat in verbinding staat met andere spelers binnen de meteorologische wereld (zoals I .R.M. en de Meteo Wing op Belgisch vlak en internationale communicatienetwerken zoals de O.M.M. en de O.A.C.I.) De dienst verzekert het goed functioneren van het netwerk, de servers, werkstations en printers.
Met de toekomstige integratie van steeds meer verschillende meteosystemen (zoals de radarmeteo, het ontvangersnetwerk, enz.) vormt het MetSysteem de ruggengraat van de door de meteodienst gebruikte systemen.

- Radar- en Torensimulator

Bij het ontstaan van Belgocontrol achtte het management een specifieke bemanning voor onderhoud- en herstellingswerken aan de Radar- en Torensimulator niet nodig en vertrouwde het die taken toe aan de medewerkers van de Meteo Applicaties.
Dagelijks verifiëren ze de goede werking van de servers, werkstations en peripherals uit de drie netwerken (First Plus, Comm Plus en Visuals) en de ‘voice recording’. Die systemen zijn verdeeld over 28 posities in de radarsimulator en vier werkposities in de torensimulator.
In tegenstelling tot de ‘First Plus’- en ‘Comm Plus’-netwerken, omvat het Visuals-netwerk meer gesofisticeerde grafische servers en projectoren voor een visualisatie over 270°. Samen geven ze een vrijwel natuurgetrouw beeld van wat de verkeersleiders in de toren  werkelijk zien.
In samenspraak met het ATS Training Centre en rekening houdend met het opleidingsplan, zorgen de technici voor een periodiek preventief onderhoud van de installaties. Onderhoud is ook nodig tijdens een omwisseling van de trainingsgroep omwille van hygiënische redenen (bijv. onderhoud micro’s, koptelefoons...) De ploeg staat altijd paraat om snel op te treden bij defecten. Enkele medewerkers zijn speciaal opgeleid om met behulp van bijhorende OEM-software (Original Equipment Manufacturing) het visuele aspect van de torenpositie aan te passen (bijv. achtergrond, vliegtuigmodellen, grondroutes, enz...).

2. Radar Applicaties

De veertien medewerkers van de sectie Radar Applicaties (Rudy Van Hoof {Diensthoofd}, François Philtjens, Wim Van Hoof, Jean Muylle, Jean-Pierre De Langhe, Thierry Anspach, Claude Massaux, Jean-Marie Dumont, Jean-François Budimlic, Eddy Coosemans, Gert Deronde, Jean-Pierre Fouret, Sébastien Lelangue en Pascal Traets) staan in voor de goede werking en het preventief en correctief onderhoud van de volgende systemen op de luchthaven Brussel-Nationaal:

De Northrop Grumman (ASR-9/MSSR) naderingsradar
Deze naderingsradar bestaat uit een primaire radar en een secundaire monopulsradar (zie kaders). Belangrijkste verschilpunten met de En-route radars van Bertem en Saint-Hubert zijn het radarbereik en de draaisnelheid van de antenne, nodig om gedurende de kritieke fase van de vlucht (landen en vertrekken) regelmatiger over up-to-date informatie te beschikken.
De gecombineerde informatie van de primaire en secundaire radar wordt in een bepaald formaat gegoten en via glasvezelverbindingen beschikbaar gesteld aan CANAC.

De Thales naderingsradar
Die ‘Approach radar’ is een secundaire monopulsradar.

De weerradar
De weerradar maakt deel uit van Radar Applicaties omdat ze werkt zoals een primaire radar, maar op totaal andere frequenties. De radar onderscheidt twee modes: de Intensity mode om de intensiteit van de neerslag te coderen en de Velocity mode voor de detectie van de bewegingssnelheid van de wolken en het onderscheiden van bewegingen naar de radar toe en van de radar weg (Towards & Away). Om de vijftien minuten stuurt de radar volgens een vast patroon een aantal beelden door naar de externe klanten (Meteowing, IRM/KMI). CANAC ontvangt die informatie via het ADIDS-systeem. O/MET is de operator van het systeem en beschikt als belangrijkste gebruiker over verschillende mogelijkheden, zoals het nemen van verticale wolkendoorsneden.

De Cardion grondradar.
De grondradar dient als hulpmiddel voor de luchtverkeersleiders om de bewegingen  van vliegtuigen en voertuigen op het luchthaventerrein waar te nemen en te volgen. Dat verkeer concentreert zich vooral op taxiwegen en landingsbanen. De grondradar is vooral ’s nachts en bij slechte zichtbaarheid onontbeerlijk. In de toekomst komt een nieuw systeem dat een volledige dekking van het luchthaventerrein in alle weersomstandigheden mogelijk maakt.

De TDI (Tranformateur Digital Image)
De TDI voedt de torendisplay met de informatie afkomstig van CANAC in combinatie met de ruwe video afkomstig van de primaire naderingsradar (ASR-9).

Het No-break systeem in de oude terminal (Gebouw 1)
Dat systeem verzekert een ononderbroken stroomtoevoer voor de eigen installaties alsook voor alle voorzieningen in de verkeerstoren.

Het CCTV-netwerk (Closed Circuit Television)
Dit ‘Camera & Monitor’-systeem laat de torenverkeersleiders toe om via beweegbare camera’s bepaalde zones op het luchthaventerrein nader te bekijken. Dat systeem wordt volledig uitgebreid en vernieuwd in het kader van het project ‘Nieuwe Toren’.
De laatste twee systemen maken deel uit van Radar Applicaties wegens historische redenen. De aparte Videodienst van de voormalige Regie dar Luchtwegen ging na de splitsing over naar BIAC. De technici die bij Belgocontrol bleven, kwamen terecht in verschillende diensten. De betrokken installaties ten behoeve van de torenverkeersleiders kregen geen aparte technische dienst en werden toegewezen aan het technisch personeel van de Radardienst.

Radarevaluaties

Dagelijks voeren de radartechnici metingen en controles uit op alle besproken installaties om de kwaliteit te verzekeren en waar mogelijk te verbeteren. Via een elektronisch logboek worden ze ingelogd en via het LAN-netwerk beschikbaar gesteld aan alle teamleden.
Een andere belangrijke taak is het uitvoeren van radarevaluaties via een kwaliteitsanalyse van de radargegevens (zogenaamde plots). Hierbij wordt nagegaan of de parameters voldoen aan de door Eurocontrol opgelegde normen. De evaluatie van de Approach radars te EBBR en de En-route radars te Bertem en St. Hubert gebeuren op zeer regelmatige tijdstippen.
De dienst was recent nauw betrokken bij de vernieuwing van de radars in Saint-Hubert en de installatie van een nieuwe radar in Luik en zal ook haar steentje bijdragen tot de vernieuwing van de radars te Bertem later dit jaar.
Radarevaluaties omhelzen tevens het onderzoek naar incidenten (trouble reports), overgemaakt door de dienst E/E/Canac. De deelname aan de grote projecten ‘Nieuwe Toren’ en ‘Canac Upgrade’ blijft beperkt tot de technische aspecten. Hier werkt de radardienst samen met de Dienst Systemen van de Afdeling Projectontwikkeling. Ze is nauw bij betrokken bij twee belangrijke projecten: de aankoop en installatie van een nieuwe weerradar en het A-SMGCS project.

<Kader1>
Historiek
Hoewel er reeds op het einde van de 19de eeuw experimenten met radiogolven plaatsvonden, werden de eerste radarsystemen pas in de jaren ’30 van de vorige eeuw gebouwd. Radarsystemen bewezen voor het eerst hun nut gedurende de Slag om Engeland in de Tweede Wereldoorlog (1940) met de detectie van Duitse vliegtuigformaties die vanuit het bezette Frankrijk aanvlogen. De eerste radarinstallaties waren groot en nogal primitief, maar al snel kwamen er verbeteringen. Zo ontstond er na de primaire radar de secundaire radar (IFF genaamd, d.i. Identification Friend or Foe), die bevriende vliegtuigen kan onderscheiden van vijandelijke. Na de Tweede Wereldoorlog stond die technologie ter beschikking van de burgerluchtvaart. Met name de secundaire radar werd sterk verbeterd en er werden ook nieuwe radartoepassingen bedacht.
De eerstvolgende fundamentele verbetering waarbij Belgocontrol betrokken is, betreft de Mode S(elect) radar, een sterk geëvolueerde secundaire radar die –in tegenstelling tot de klassieke secundaire radar– vliegtuigen selectief kan ‘ondervragen’. Dat type radar maakt ook de uitwisseling van bidirectionele informatie mogelijk tussen het radarstation en het vliegtuig. Dat zal de veiligheid van het luchtverkeer, de efficiëntie van de luchtverkeersleiding en de beschikbare capaciteit in het luchtruim ten goede komen.

<Kader 2>
Werking van een radar
Het woord radar is een acroniem voor “radio detection and ranging”. In de burgerluchtvaart onderscheiden we twee types: de primaire en de secundaire radar.
De primaire radar heeft gewoonlijk een reflectorantenne (in paraboolvorm) die met tussenpozen een energiepuls uitzendt. Wanneer een puls een object treft, weerkaatst het objectoppervlak de erop invallende energie, waarvan normaliter een (gering) deel in de richting van de antenne. De (schuine) afstand tot het object wordt bepaald door het meten van de tijd die de pulsen nodig hebben om de heen- en terugweg af te leggen. De positie van de antenne bij ontvangst van de weerkaatste energiepulsen geeft de richting van het object aan. Op die manier wordt de positie (in twee dimensies) van het object bepaald.
Sommige primaire radars zijn niet alleen in staat om de aanwezigheid en de positie van een object te bepalen, maar ook zijn snelheid (in feite alleen de radiale component). Toepassing hiervan is de weerradar. Een andere toepassing maakt zelfs alleen maar gebruik van de snelheid van het gedetecteerde object: de politieradar !
De secundaire radar (SSR) heeft een vlakke antenne en zendt met tussenpauzen een vast aantal pulsen uit. Transponders aan boord van de vliegtuigen detecteren die pulsen en antwoorden in de vorm van een pulstrein. In die pulstrein kunnen de identiteit, de hoogte of de alarmmeldingen gecodeerd worden. Daarnaast berekent de SSR ook de (schuine) afstand en de azimuth (hoekpositie t.o.v. het noorden) van het vliegtuig. De SSR is dus in staat om een 3D-positie van een vliegtuig te bepalen.

 

24-06-07

Gedragscode voor meer helderheid inzake kredietverlening

Deze tekst werd geschreven in april 2005 in opdracht van Publitec voor ING Onderneming

Gedragscode voor meer helderheid inzake kredietverlening  KMO’s die vinden dat hun kredietdossier onheus werd behandeld door hun financiële instelling, kunnen sinds november vorig jaar een dossier indienen bij een onafhankelijk contactpunt. Dat is een van de gevolgen van de Gedragscode tussen banken en ondernemersorganisaties die eind vorig jaar in werking trad. 

“Deze gedragscode draagt bij tot het bevorderen van goede betrekkingen tussen kredietinstellingen enerzijds en KMO’s anderzijds door een groter wederzijds begrip voor hun respectievelijke rol en verantwoordelijkheden.”

(Artikel 1 van de Gedragscode) 

Uniek in Europa

Met de ondertekening van de Gedragscode gaat de Belgische bankwereld als een van de enige in Europa in op de wens van de ondernemersorganisaties om tot meer klaarheid te komen inzake afspraken over kredietverlening. Op Europees vlak gaf de Raad van Industrie in december 2001 een eerste aanzet voor een Europese Gedragscode. De Europese Commissie boog zich over het probleem, maar onderhandelingen tussen de Europese bank- en kredietinstellingen en de Europese ondernemersorganisaties kwamen niet verder dan het uitwerken van een ontwerptekst.

Uiteindelijk haakte de Europese Bankfederatie af omdat ze vreesde dat de gedragscode zou uitmonden in een ‘recht op krediet’ en de banken hun bewegingsruimte bij de toekenning van kredieten zouden verliezen.  In België zette UNIZO het idee op de agenda van het overlegcomité tussen de Belgische Vereniging van Banken en de ondernemersorganisaties UNIZO, UCM, VBO en Agoria. “UNIZO heeft een drietal jaar geleden een cahier opgesteld over KMO en financiering,” zegt Nancy Van Campenhout, juridisch adviseur op de studiedienst van UNIZO. “Uit ons onderzoek bleek een duidelijke vraag naar een ombudsdienst, waar KMO’s zouden terechtkunnen voor allerhande problemen inzake hun kredietaanvraag. Kredietweigering is het grootste probleem, maar er zijn ook klachten over onduidelijke beslissingsprocedures, kredietopzeggingen per aangetekende brief zonder verdere uitleg, ingewikkelde berekeningsformules, onverstaanbare taal… De gedragscode moet tegemoetkomen aan die verzuchtingen, maar het is vandaag nog te vroeg om een evaluatie te maken.” 

Een mooi staaltje van zelfregulering

“We hebben de ontwerptekst van de Europese gedragscode op een Belgische leest geschoeid en zijn binnen het overlegcomité vrij vlug tot een consensus gekomen waarin alle partijen zich konden vinden,” vervolgt Nancy Van Campenhout. “ING heeft tijdens de onderhandelingen steeds een constructieve en ondersteunende houding aangenomen. We zijn verheugd over het initiatief, temeer dat België naast Cyprus het enige land is binnen de EU waar de banken en de ondernemingsvertegenwoordigers een akkoord hierover hebben ondertekend. Ook Groot-Brittannië en Ierland kennen een gedragscode, maar het concept is anders. Daar hebben de banken eenzijdig een handvest ingevoerd, zonder de ondernemingswereld hierin te betrekken.”UNIZO verkiest zelfregulering boven een wettelijk initiatief: “Het alternatief is een wettelijke regeling, waarbij het gevaar bestaat dat zowel de banken als de ondernemingen in een strak keurslijf worden gedrongen, waarbij ze zich aan allerhande regels dienen te houden. Daarom hebben we gekozen voor een tekst die vooral gebouwd is rond een aantal algemene principes zoals transparantie, open dialoog, wederzijds vertrouwen… Van de banken wordt verwacht dat ze vooraf op een toegankelijke en verstaanbare manier laten weten welke informatie ze nodig hebben, volgens welke criteria ze de kredietdossies zullen beoordelen en aan welke voorwaarden ze de kredieten verlenen. Maar ook de KMO’s moeten meer in hun kaarten laten kijken en mogen bijvoorbeeld geen informatie achterhouden die van belang kan zijn bij de kredietbeslissing.” 

Contactpunt voor de behandeling van klachten

Tot de vroegere wens van UNIZO voor een ombudsdienst is het niet gekomen, maar daar heeft Nancy Van Campenhout begrip voor: “Er is de kwestie van financiering, en het is niet evident om een geschikte persoon te vinden die volledig onafhankelijk is en voldoende technisch onderlegd om de dossiers te beoordelen.” Ondernemers die klachten hebben over de behandeling van hun kredietdossier, kunnen met hun grieven terecht bij het Contactpunt waarin vertegenwoordigers zetelen van de organisaties die de Gedragscode hebben ondertekend. Daar wordt nagegaan of er een inbreuk is gepleegd op de spelregels van de Gedragscode, met andere woorden, of de klacht ontvankelijk is. Nancy Van Campenhout: “In dat geval maakt het Contactpunt het dossier opnieuw over aan de betrokken bank met de vraag het een tweede keer te bekijken. Meestal gebeurt dat op een hoger niveau of via de geschillendienst van de bank en wordt de oorspronkelijke beslissing mogelijk herzien. Maar de banken blijven hun vrijheid behouden om het krediet te weigeren, alleen moeten ze hun besluit duidelijk motiveren. De ondernemer heeft dus geen recht op krediet, maar hij heeft wel het recht om te weten op welke basis het eindoordeel werd genomen. Zo kan hij zijn businessplan aanpassen of andere maatregelen nemen en een nieuwe kredietaanvraag indienen, eventueel bij een andere bank.”

Het Contactpunt is niet bevoegd om zelf oplossingen te formuleren, maar een waakhond die toeziet of de spelregels worden gerespecteerd en aandringt bij de betrokken bank op een oplossing. Volgens Nancy Van Campenhout heeft dat een belangrijk psychologisch effect op de banken: “De klachten worden anoniem behandeld, maar meestal weten de banken wel wanneer ze geviseerd worden. Het Contactpunt is bijgevolg een belangrijk drukmiddel om de dossiers correct te behandelen. De banken zijn niet verplicht om hun beslissing schriftelijk te motiveren. Dat gebeurt best in een open gesprek met de betrokken ondernemer, liefst zo gedetailleerd mogelijk.”    

Te vroeg voor een balans

Tot op heden blijft het aantal klachten dat het Contactpunt heeft behandeld zeer beperkt, maar Nancy van Campenhout vindt het nog te vroeg om een evaluatie te maken: “Misschien zijn de banken sedert het bestaan van de Gedragscode alerter geworden, anderzijds schort er zeker iets aan de bekendheid van het Contactpunt. We hebben een enquête gehouden onder onze leden, waaruit blijkt dat 86% het meldpunt niet kennen, en 81% nog nooit gehoord heeft van de Gedragscode. Het zou dus totaal onverantwoord zijn om het Contactpunt vroegtijdig te begraven wegens een gebrek aan klachten.” De taak van het Contactpunt beperkt zich niet tot het verifiëren of de Gedragscode wel gerespecteerd wordt, maar speelt ook een rol op het vlak van monitoring van het geheel van de klachten. Op 1 november 2005 wordt een eerste evaluatie gemaakt. Nancy Van Campenhout: “Het Contactpunt krijgt nogal wat klachten binnen die niet ontvankelijk zijn omdat ze niets te maken hebben met kredietverlening. In dat geval krijgt de ondernemer een brief waarin wordt uitgelegd dat het Contactpunt niet bevoegd is, maar dat zijn dossier wel werd overgemaakt aan de geschillendienst van zijn bank. Er is dus altijd feedback. Bij de evaluatie zullen we nagaan of de Gedragscode eventueel niet moet worden verfijnd of  uitgebreid, maar nogmaals, het is voorbarig om daar nu al een uitspraak over te doen.”  Dat ING geen moeite had om de Gedragscode te onderschrijven, hoeft niemand te verwonderen. Transparantie, communicatie, openheid en wederzijds vertrouwen zijn immers waarden die al lang hoog in het ING-vaandel prijken… 

kader

Kredietproblematiek van KMO’s

Uit een onderzoek van UNIZO blijkt dat KMO’s de weigering van een krediet als belangrijkste probleem ervaren in hun bankrelatie. 

Weigering kredietvoorstel16%
Wijziging kredietvoorwaarden9%
Dreiging opzegging6%
Opzegging krediet3%