07-05-07

Mist rond schijnzelfstandigheid klaart op

Onderstaande tekst werd geschreven in opdracht van Headline Publishing Agency voor Delta Lloyd Magazine nr. 15 – Maart 2007  Mist rond schijnzelfstandigheid klaart op  

Ondernemingen doen vaak een beroep op diensten van zelfstandigen zoals consultants, interim-managers, stagiaires…, liever dan eigen personeel aan te werven. Dat is vooral een gevolg van de zware sociale lasten en verplichtingen die verbonden zijn aan het beschermde werknemersstatuut.

Keerzijde van de medaille is dat die werkwijze de deur opent voor misbruik in de vorm van schijnzelfstandigheid. Schijnzelfstandigen zijn personen die officieel als zelfstandige werken, maar in feite als werknemer aan de slag zijn. Ondernemingen die worden betrapt op werken met schijnzelfstandigen krijgen een dure rekening gepresenteerd. Ze dienen het statuut van de betrokken zelfstandige te ‘herkwalificeren’ tot dat van werknemer, met alle gevolgen op het vlak van de sociale zekerheid. De RSZ vordert immers met terugwerkende kracht alle verschuldigde werkgevers- en werknemersbijdragen, verhoogd met wettelijke interesten en 10% bijdrageopslagen. De schijnzelfstandige kan van zijn kant zijn betaalde RSVZ-bijdragen terugvorderen.  Maar wat is schijnzelfstandigheid? Tot recent was de wet onduidelijk over het precieze verschil tussen een zelfstandige en een werknemer. Het probleem kwam enkel aan het licht bij controles door sociale inspectiediensten of wanneer een geschil opdook tussen een zelfstandige en zijn opdrachtgever.  

Programmawet geeft nieuw wettelijk kader

Door het gebrek aan duidelijke wettelijke criteria die toelaten om de juiste aard van een arbeidsrelatie te bepalen, voelde de overheid zich geroepen om een regulerend kader te scheppen. Daarbij stonden de socialistische en liberale regeringspartners vaak lijnrecht tegenover elkaar, waardoor de discussie jarenlang aansleepte. Uiteindelijk kwam er schot in de zaak met een wetsvoorstel van minister van Middenstand Laruelle, dat op 28 april 2006 werd voorgelegd aan de ministerraad. Op 7 juli 2006 keurde de ministerraad een kaderwet goed over de aard van arbeidsrelaties, die inmiddels bevestigd werd door de programmawet van 27 december 2006. De bepalingen betreffende de aard van de arbeidsrelaties traden in werking op 1 januari 2007, de andere bepalingen moeten nog in een KB worden gegoten en treden uiterlijk in werking op 1 januari 2008.   Over de nieuwe wet praten we met Patrick Maerten, vennoot van het advocatenkantoor Claeys & Engels, dat gespecialiseerd is in alle materies die betrekking hebben op het human-resources- en personeelbeleid: “De nieuwe wet huldigt het principe van de ‘autonomie van de wil van de partijen’ en geeft dus voorrang aan de kwalificatie die de partijen hebben gegeven aan hun samenwerkingovereenkomst. De nieuwe wet bevestigt daarmee een uitspraak in 2003 door het Hof van Cassatie, dat over die kwestie een duidelijk en principieel standpunt innam. Het Hof liet zich inspireren door artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek dat stelt dat de overeenkomst tussen partijen de kracht van wet hebben. Alleen indien er onverenigbaarheden worden vastgesteld tussen de gekozen kwalificatie en de manier waarop de overeenkomst in de praktijk wordt uitgevoerd, kan worden overgaan tot herkwalificatie.”  

Algemene en socio-economische criteria

Daarnaast hanteert de programmawet vier algemene criteria om de aard van de arbeidsrelatie te beoordelen:

de vrije wil van de partijen zoals uitgedrukt in hun overeenkomst

  • de vrijheid van organisatie van de werktijd (geen verplichte, vaste uurroosters…)
  • de vrijheid om zelf zijn werk te organiseren
  • het ontbreken van de mogelijkheid van een hiërarchische controle door de opdrachtgever.  
    Patrick Maerten: “Naast die vier algemene criteria moet de aard van de arbeidsrelatie desgevallend ook beoordeeld kunnen worden in het licht van specifieke criteria, eigen aan een sector, een beroep of een categorie van beroepen. Die specifieke criteria kunnen van juridische of socio-economische aard zijn, maar mogen geen afbreuk doen van de algemene criteria. Voor het uitwerken van die specifieke criteria wordt een Commissie ter regeling van de arbeidsrelaties opgericht, die zal bestaan uit een normatieve en een administratieve afdeling.”  

    Bindend advies

    De commissie zal enerzijds sectoren en beroepen onderzoeken waar een probleem van schijnzelfstandigheid bestaat. Is dat het geval, dan moeten die sectoren socio-economische criteria voorstellen om duidelijkheid te scheppen. De commissie maakt daarvan een verslag en doet een voorstel aan de bevoegde ministers.

     

    Daarnaast heeft de commissie een opdracht van ‘sociale ruling’. Ze moet zich uitspreken over individuele dossiers en een bindend advies verlenen. Als een werkgever een beroep doet op de diensten van een zelfstandige, kunnen beide partijen hun arbeidsrelatie eerst voorleggen aan de commissie. Die beslist dan op basis van bovengenoemde criteria of er effectief sprake is van een zelfstandige activiteit. Haar uitspraak is bindend voor de RSZ en het RSVZ. Maar zowel de werkgever als de zelfstandige kan het advies ook aanvragen tijdens de looptijd of bij het einde van het contract. Bij een geschil kan de zelfstandige het oordeel vragen van de commissie, bijvoorbeeld als hij vindt dat hij in een verkeerd statuut moet werken.

     

    Tegen die beslissing kan de werkgever nog altijd een beroep aantekenen. Patrick Maerten: “In dat geval kan de procedure voor de Arbeidsrechtbank jarenlang aanslepen. Enerzijds is het goed dat een onafhankelijke derde partij de zaak opnieuw kan bekijken, maar anderzijds wordt aan het beoogde doel – het wegwerken van de rechtsonzekerheid –  voor een stuk voorbijgeschoten.”

     Minder zware gevolgen bij herkwalificatie

    Patrick Maerten: “De programmawet voorziet in twee gevallen een voordelig stelsel van ‘vrijwillige kwalificatie’. Ten eerste bij een vrijwillige aansluiting van de werkgever bij de RSZ, binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van de lijst met sectorspecifieke criteria, of ten laatste voor 30 juni 2007. Ten tweede wanneer de partijen zich binnen de zes maanden schikken na de uitkomst van de ruling. De werkgever wordt dan vrijgesteld van het betalen van een deel van de verschuldigde achterstallige sociale zekerheidsbijdragen, van de bijdrageverhogingen en van de wettelijke intresten. Hij mag ook de betaalde RSVZ-bijdragen verrekenen in zijn RSZ-bijdragen. Dat laatste zal waarschijnlijk nog stof vormen voor discussie, want in het oude systeem kon de zelfstandige zijn RSVZ-bijdragen recupereren.”  

    Conclusie

    Hoe evalueert Patrick Maerten de nieuwe wetgeving? “In feite brengt de programmawet op dat vlak weinig nieuws, want sinds 2003 is de cassatierechtspraak zeer duidelijk: de kwalificatie heeft voorrang en enkel als er in de praktijk onverenigbaarheid is met die kwalificatie, kan worden overgegaan tot herkwalificatie. De wet had tot doel een duidelijk wettelijk kader te creëren en af te stappen van de indiciënmethode zoals die gehanteerd werd door de arbeidsrechtbank. Om het statuut te bepalen, ging de rechtbank bijvoorbeeld na of er sprake was van opgelegde uurroosters, visitekaartjes, richtlijnen over het uitvoeren van het werk, enzovoort. Artikel 131 van de nieuwe wet zegt weliswaar dat de partijen vrij de aard van hun arbeidsrelatie kiezen, maar voegt eraan toe dat de effectieve uitvoering van de overeenkomst moet overeenstemmen met de aard van de arbeidsrelatie. Op die manier wordt het indiciënsysteem langs een achterpoortje weer ingevoerd. Positief is de oprichting van de Commissie ter regeling van de arbeidsrelaties en de grotere rechtszekerheid door ruling. De nieuwe wet heeft dus een aantal zaken verbeterd, maar het principe is verre van revolutionair.”