20-09-07

CBFA moet maximum gegarandeerde rentevoet bepalen

Onderstaande tekst schreef ik in opdracht van Headline Publishing voor Delta Lloyd Magazine (mei 2005)

Marc Verwilghen, minister van Economie:
CBFA moet maximum gegarandeerde rentevoet bepalen
 
De maximum gegarandeerde rentevoet van 3,75% weegt zwaar door op de verzekeringssector. Bovendien is die regeling in tegenstrijd met de Europese richtlijn, die bepaalt dat ze 60% van de OLO-rente moet bedragen, wat vandaag neerkomt op ongeveer 2%. Een verlaging dringt zich al lang op, maar wat denkt de bevoegde minister Marc Verwilgen hierover? DL Magazine trok met een aantal prangende vragen naar zijn kabinet in het hartje van Brussel.

Marc Verwilghen zetelde van 1991 tot 1999 in het parlement voor de toenmalige PVV en is sinds 1999 rechtstreeks verkozen VLD-senator. Zijn naam zal waarschijnlijk voor altijd verbonden blijven aan de Onderzoekscommissie Dutroux, die hij met brio voorzat. Na eerder ministerposten te hebben bekleed op Justitie en Ontwikkelingssamenwerking, volgde hij in 2004 Fientje Moerman op als minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid.

DL Magazine: U hebt eerder aangekondigd dat u de gegarandeerde rentevoet van 3,75% in de levensverzekering zou herzien. Kunt u ons uw plannen op dat vlak toelichten?
Marc Verwilghen: “Ik ben mij ten zeerste bewust van het probleem en wil het dan ook ten gronde aanpakken. De rentevoet van 3,75% geldt al zes jaar, hetgeen compleet onverantwoord is gezien de evolutie op de rente- en obligatiemarkten. Die rentevoet ligt beduidend boven 60% van de OLO-rente en is zelfs hoger dan de rente voor obligaties op lange termijn. Ik wens de verlaging van de gewaarborgde maximum rentevoet echter niet per KB door te voeren, maar wil de hele procedure grondig herzien. Uit ervaring blijkt dat een dergelijke technische aangelegenheid beter niet onderworpen is aan een politieke beslissing, maar geregeld moet worden door een mechanisme of procedure dat toelaat om veel vlugger in te spelen op marktontwikkelingen. Daarom wens ik die bevoegdheid over te dragen aan een onafhankelijke, maar technisch competente autoriteit, met name de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA). Ik spreek mij bijgevolg niet uit over een verhoging of verlaging van de maximum gegarandeerde rentevoet, maar wil de wetgeving herzien zodat de CBFA die rentevoet kan aanpassen naargelang de marktomstandigheden.”

DL Magazine: Waarom wordt de Europese richtlijn niet gewoon  overgenomen?
Marc Verwilghen: “Onze wetgeving is inderdaad strijdig met de Europese richtlijn die bepaalt dat de rentevoet maximaal 60% van de OLO-rente mag bedragen. Maar die richtlijn zegt niet over welke OLO-rente het gaat: is het de rentevoet op staatsobligaties op tien jaar, twaalf jaar, vijftien jaar? Mijn kabinet heeft tevergeefs gezocht naar een objectief criterium dat de CBFA als houvast zou kunnen gebruiken. Het criterium van de Europese richtlijn is ongeschikt, want onder bepaalde omstandigheden zou de remedie erger zijn dan de kwaal. Hadden we ons in 1985 gebaseerd op de 60% van de OLO-rente, dan zou volgens berekeningen van de CBFA de gewaarborgde interestvoet vandaag 7 à 7,5% bedragen! Daarom wens ik het criterium van de Europese richtlijn niet te betonneren in de Belgische wetgeving. Maar het idee om de bevoegdheid over te dragen aan de CBFA krijgt wel de steun van het IMF, dat in zijn laatste rapport aandringt om de bepaling van de maximaal gewaarborgde rentevoet toe te vertrouwen aan een autonome autoriteit.”

DL Magazine:Vanuit Assuralia rijst de vraag - vooral onder druk van de grootbanken - om ook de rentevoet van 4,75 te herzien die geldt voor de oudere portefeuilles...
Marc Verwilghen: “Ja, maar daar kan ik onmogelijk op ingaan want dat zou haaks staan op de basisbeginselen van het contractenrecht. Wanneer een verzekeringsmaatschappij een gewaarborgde rentevoet van 4,75% vastlegt in de overeenkomst die hij afsluit met de verzekerde, dan ligt dat contractueel vast en kan een minister daarin niet tussenkomen. We moeten wel een onderscheid maken tussen de klassieke formules met een gewaarborgde rentevoet, en Universal Life-producten. Een herziening van de rentevoet heeft geen invloed op de eerste categorie, behalve voor de nieuwe contracten. Voor Universal Life-producten zal de verlaagde rentevoet alleen gelden voor de nieuwe premies, maar uiteraard niet voor degene die reeds gestort zijn.”

DL Magazine: Dat is goed nieuws voor DL Life, aangezien wij over een jonge portefeuille beschikken. Maar tegen wanneer verwacht u dat de wetgeving wordt aangepast?
Marc Verwilghen: “Over mijn plannen die ik net heb toegelicht, moet nog een consensus worden bereikt binnen de regering. Mijn voorstellen gelden overigens uitsluitend voor de levensverzekering en zijn niet van toepassing op de WAP, die onder de bevoegdheid valt van mijn collega Bruno Tobback.”

DL Magazine: De Europese spaarrichtlijn is inmiddels goedgekeurd, maar die geldt enkel voor de banksector. Liggen er plannen op tafel om ook de verzekeringssector hierin te betrekken?
Marc Verwilghen: “Fiscaliteit valt onder de bevoegdheid van minister Reynders, maar bij mijn weten zijn er geen plannen in die richting. Toch een kleine voetnoot: er kunnen wel problemen opduiken bij gediskwalificeerde verzekeringsproducten, bvb bepaalde producten van Tak 23 die eigenlijk beleggingsproducten zijn en dus onder de spaarrichtlijn vallen.”

DL Magazine: De bank- en verzekeringswereld groeien zienderogen naar elkaar toe. Hoe kijkt u tegen die evolutie aan en bent u bereid om in te gaan op de vraag van de financial planners om erkend te worden?
Marc Verwilghen: “Om met de laatste vraag te beginnen: het antwoord luidt neen, omdat ik de mogelijkheid niet heb om dat te doen. De wetgeving op de verzekeringsbemiddeling wordt volledig vanuit Europa gestuurd via de fameuze richtlijn van 2002, die op 15 januari 2005 geïmplementeerd had moeten worden. Het wetsvoorstel is klaar en zal in de eerstkomende weken aan het parlement worden voorgelegd. De richtlijn van 2002 wordt omgezet in de wet Cauwenberghs, die de verzekeringsbemiddelaars reglementeert. In principe moet elke verzekeringsbemiddelaar een CBFA-inschrijvingsnummer hebben en beantwoorden aan de wettelijke voorwaarden. De nieuwe wet voorziet drie uitzonderingen. Men mag bemiddelen zonder erkenning voor het verzekeren van de eigen onderneming of een onderneming van de groep; wanneer het een verzekering betreft die aanvullend wordt verkocht bij een product of dienst (bvb een annuleringsverzekering bij reizen); en bij het verstrekken van occasionele verzekeringsinformatie (bvb advocaten, notarissen, belastingconsultanten, enz.) De financial planners beantwoorden niet aan die voorwaarden. Ze kunnen bijgevolg geen verzekeringsproducten verkopen, want in dat geval treden ze op als makelaar of bankagent en dienen ze te beantwoorden aan de wettelijke voorwaarden. Maar niets belet hen uiteraard om beide te combineren…”

DL Magazine: Voorziet u wettelijke initiatieven inzake de makelarij van bankproducten?
Marc Verwilghen: “Ook die materie valt onder de bevoegdheid van mijn collega op Financiën. Ik kan u wel meegeven dat senator Luc Willems (VLD) een wetsvoorstel klaar heeft dat het statuut van de bankmakelaar introduceert. Momenteel zijn alleen de tussenpersonen in de verzekeringssector wettelijk gereglementeerd, terwijl veel bankagenten ook optreden als verzekeringsmakelaar en omgekeerd. Wanneer er twee statuten naast elkaar zullen bestaan, wordt het ook nodig om bruggen te bouwen tussen beide, zodat ze met gelijke wapens kunnen strijden en de consument dezelfde wettelijke bescherming kan genieten.”

DL Magazine: Dank u hartelijk voor dit verhelderende gesprek.

 

18:31 Gepost door Jean Lievens in economie en financiën | Permalink | Commentaren (0) | Tags: interviews, economie en financien, 026 |  Facebook |