29-10-07

De geschiedenis van de belastingen

Deze tekst dateert van juli 2005 en verscheen in het magazine van Philip Morris, geproduceerd door Headline Publishing Agency.

De geschiedenis van de belastingen

Schrik niet te hard, maar belastingen zijn een teken van beschaving. In tegenstelling tot wat de Flintstones ons willen doen geloven, betaalden onze prehistorische voorouders geen belastingen. Maar ze beschikten dan ook niet over wegen, scholen, hospitalen… kortom, allerlei gemeenschappelijke voorzieningen waarvan iedereen kan genieten, en die betaald worden met belastingsgeld.

Belastingen zijn persoonlijke bijdragen aan gemeenschappelijke uitgaven. Dat hoeft niet noodzakelijk in de vorm van geld te zijn. Zo kenden de Israëlieten voor onze jaartelling een belastingsheffing in de vorm van het afstaan van vee of graan. Naarmate de samenleving zich verder ontwikkelde en complexer werd, groeiden de gemeenschappelijke uitgaven en werden de belastingen steeds inventiever en… zwaarder. Laten we u even meenemen op een reis doorheen de tijd….

Oude Belgen: schatplichtig aan de Romeinen

De oude Egyptenaren waren verplicht om gratis mee te werken aan de bouw van de piramiden. Van een belasting gesproken! Maar eigenlijk waren de eerste belastingen “vrijwillig”: geschenken in natura aan stamhoofden, koningen, farao’s… Gaandeweg kregen ze een verplichtend karakter.

In onze contreien werden de eerste belastingen ingevoerd door de Romeinen. De macht van het oude Rome strekte zich uit over heel Zuid- en Midden-Europa, met de Rijn als noordergrens. De bewoners van de veroverde gebieden betaalden een belasting op het gebruik van de grond (tribtum soli), waarmee de Romeinse Keizer ondermeer wegen en forten liet bouwen. Vlak voor onze jaartelling liet keizer Augustus volkstellingen houden om het aantal inwoners per provincie te kennen. Iedere burger werd ingeschreven in een bevolkingsregister ‘avant la lettre’, en diende een verklaring over zijn bezittingen af te leggen aan de belastingsambtenaar. Op die manier kon het Romeins bestuur een schatting maken van de verwachte inkomsten en een rudimentaire begroting opmaken.  

Betalen in graan en vee

De middeleeuwse samenleving was ingedeeld in standen: bovenaan troonde de koning of keizer, met daaronder de geestelijkheid en de edellieden. Helemaal onderaan de ladder stonden de boeren (lijfeigenen) op het platteland en de burgers (handelaren en ambachtslui) in de steden. Telkens de koning geld nodig had, ging hij ‘bedelen’ bij de graven. Oorspronkelijk waren die ‘beden’ eenmalige bijdragen om bijvoorbeeld een kasteel te financieren, maar stilaan werden ze een vaste bron van inkomsten waarmee de vorst zijn hofhouding onderhield, oorlog voerde, enz. De graven klopten op hun beurt aan bij de boeren, die een deel van de opbrengst van hun grond in natura afstonden aan hun ‘leenheer’.

De geboorte van de accijnzen en wegentaks

Vanaf de twaalfde eeuw begonnen graven, hertogen en bisschoppen stadsrechten te verlenen aan de opkomende steden: ze mochten een muur bouwen rond de stad, markten houden… en ook eigen belastingen heffen, niet alleen om hun verplichtingen tegenover de vorst na te komen, maar ook om straten, muren, poortwachters… te betalen. De meest voorkomende belastingen waren accijnzen: heffingen op levensnoodzakelijke goederen zoals brandhout, zout, zeep, graan, meel, wijn, turf, kolen, enz. Een andere belastingssoort was de tol, ondermeer voor het gebruik van bruggen en wegen.

De steden kenden ook een systeem van verpachting, dat tot halverwege de achttiende eeuw overeind is gebleven. De inning van bepaalde belastingen werd uitbesteed aan belangrijke, rijke personen. Bijvoorbeeld: een wijnhandelaar was tegelijkertijd pachter van de wijnaccijns. Meestal inde hij meer accijnzen dan hij moest afstaan aan het stadsbestuur, wat hem een mooie bijverdienste opleverde. Ook accijnzen op tabbak dateren uit die periode.

Alva: de uitvinder van de BTW

Halverwege de zestiende eeuw kwamen de Lage Landen terecht onder het juk van de Spaanse koning Philips II, die de beruchte Alva stuurde om de orde te handhaven. Alva maakte zich bijzonder gehaat door het systeem van de beden af te schaffen en een algemene belasting in te voeren van één procent op de waarde van alle goederen (100ste penning), en vijf procent op de waarde van alle onroerende goederen (20ste penning) als ze van eigenaar verwisselden. Toen hij ook de 10de penning wou invoeren, brak de hel los. De 10de penning was een soort van BTW (van 10%), te betalen bij elke koop en verkoop van een onroerend goed. Het verzet tegen zijn belastingsplan mondde uiteindelijk uit in de Tachtigjarige Oorlog… Belastingsheffingen hebben in de geschiedenis wel vaker aanleiding gegeven tot oorlogen en revoluties. De Amerikaanse Onafhankelijk van 4 juli 1776 was het resultaat van een oorlog tegen de Britten. Het vuur aan de lont was een protestactie tegen een taks op thee, die de geschiedenis is ingegaan als de ‘Boston Thee Party’.  

Napoleon: grondlegger van de moderne belastingen

Tussen 1795 en 1815 zwaaide Napoleon de scepter over Europa. In 1805 voerde hij voor heel de republiek een belastingsstelsel in, dat voor het eerst rekening hield met de draagkracht van de belastingplichtigen. Een heleboel accijnzen verdwenen en in de plaats kwam een belasting op het inkomen. Hoe rijker je was, hoe meer belastingen je moest ophoesten. De rijkdom werd gemeten aan de hand van het aantal dienstboden, paarden, haardsteden, deuren en vensters… Een overblijfsel van de belasting op ramen kan je vandaag nog zien aan de dichtgemetselde ramen van sommige oude herenhuizen. Doorheen de geschiedenis hebben mensen zich immers altijd bijzonder inventief gevonden om belastingen te ontduiken.In de loop van de negentiende eeuw verschoof het zwaartepunt van de belastingsdruk steeds meer naar inkomsten, vermogens en winsten. Dat was in elk geval eerlijker dan de middeleeuwse accijnzen die iedereen moest betalen, arm of rijk.

En vandaag…

U merkt het, nogal wat belastingen stammen uit een ver verleden. Vandaag onderscheiden we fundamenteel twee soorten belastingen: directe en indirecte. Directe worden geheven op de winsten van de bedrijven (vennootschapsbelasting), de inkomsten uit arbeid (personenbelasting) en uit kapitaal (bijv. voorheffing op interesten uit obligaties). Als we erfenis- en schenkingsrechten niet meetellen, kent België geen vermogensbelasting, dat is een belasting op bestaande rijkdom. Indirecte belastingen zoals de BTW en accijnzen maken goederen duurder. Maar de zwaarste belasting hebben we nog niet vernoemd. Dat zijn de sociale bijdragen van werkgevers en werknemers die de sociale zekerheid (gezondheidszorg, pensioenen, vervangingsinkomens…) financieren. Die ‘belasting’ weegt bijzonder zwaar door op de loonkosten. De totale belasting op arbeid (inkomstenbelasting plus bijdragen aan de sociale zekerheid) is in België goed voor 55% van de overheidsinkomsten, dat is 4 procent boven het Europese gemiddelde. De regering zoekt daarom naar andere middelen om de sociale zekerheid te financieren, zoals een verhoging van de BTW. Maar dat is dan weer een ander verhaal.    

09:38 Gepost door Jean Lievens in economie en financiën | Permalink | Commentaren (0) | Tags: 032 |  Facebook |

De opvolging in het familiebedrijf: een uitdaging

Deze tekst dateert van december 2004 en werd geschreven in opdracht van Publitec voor ING Onderneming. Het betreft een samenvatting van een VOKA-bijeenkomst.


De opvolging in het familiebedrijf: een uitdaging

Voor heel veel ondernemers is het regelen van de opvolging binnen het familiebedrijf een heikele opdracht. Over die problematiek organiseerden Voka – Kamer van Koophandel Halle-Vilvoorde en ING op 9 december 2004 een boeiende infoavond waarop heel wat topics de revue passeerden.

Eerste spreker was Jozef Lievens, advocaat bij Eubelius en medeoprichter van het Instituut voor het Familiebedrijf. Hij stak meteen van wal met een opmerkelijke oneliner: “Elk familiebedrijf heeft drie problemen: de opvolging, de opvolging en de opvolging.” Die uitspraak zette hij kracht bij aan de hand van enkele statistische gegevens. Over een periode van zestig jaar is 80% van de familiebedrijven verdwenen en maar13% nog in familiale handen. 30% van de familiale ondernemingen gaat over naar de tweede generatie, 12% naar de derde en een schamele 3% houdt het vier generaties vol.

Opvolging is een complex proces

Jozef Lievens ontwikkelde het zogenaamde ‘opvolgingswiel’, een model dat de opvolgingsproblematiek in kaart brengt, met aan de buitenkant de acteurs (overdrager, bedrijf, opvolger(s) en de familie) en aan de binnenkant een beschrijving van het proces in stappen. De regeling van de opvolging is een ingewikkeld proces dat begint met bewustwording en vijf tot tien jaar kan duren. Het proces verloopt niet lineair; soms is het nodig twee stappen terug te zetten alvorens opnieuw vooruit te kunnen (hoog ‘Echternach-gehalte’). 

Jozef Lievens telt liefst veertig variabelen die het opvolgingsproces beïnvloeden. Bovendien mag tijdens die ‘overgangsperiode’ de goede running van de onderneming niet in het gedrang komen. In het begin heerst grote onzekerheid: psychologisch, over de familie, over de persoonlijke financiële situatie, over het bedrijf zelf. Die onzekerheid moet worden omgebogen in zekerheid, onder meer door een professionalisering van het management en financiële planning.
“In de jaren ’80 beschouwde men een nauwgezette planning als de bepalende succesfactor voor een geslaagde opvolging”, aldus Jozef Lievens. “Maar uit recent intensief onderzoek is gebleken dat constructieve familiale relaties doorslaggevend zijn, gevolgd door de bekwaamheid van de opvolger en dan pas de planning.” Vooral de communicatie binnen de familie verdient meer aandacht, vandaar het belang van een familieforum en –charter.

Aandachtspunten

Daarna was het de beurt aan André Geeroms, consultant bij Deloitte, die enkele aandachtspunten bij de overdracht van een onderneming onder het spotlicht bracht. De bedrijfsleider dient allereerst zijn onderneming klaar te maken voor de overname. Een overnemer is enkel geïnteresseerd in de kernactiviteiten. Daarom moeten alle overbodige activa worden afgestoten (bijvoorbeeld een stuk bouwgrond, een woning, bepaalde voertuigen), evenals de nevenactiviteiten en overbodige cash . De overlatende bedrijfsleider moet transparante cijfers kunnen voorleggen om het vertrouwen van de koper te winnen. Eens die is gevonden, sluit hij een vertrouwensovereenkomst af, liefst met een boeteclausule, en een intentieverklaring (wie doet wat tegen wanneer).

Bij de due diligence geldt het motto: ken u bedrijf, wees dus voorbereid! Na enkele woorden over de contractuele en postcontractuele fase, waarin de overgang van bestuur wordt voorbereid, vestigde André Geeroms de aandacht op de financieringsproblematiek. Het is bijvoorbeeld zeer belangrijk om bij een variabele prijs op voorhand objectieve en controleerbare criteria te bepalen. Bij een gespreide betaling is een bankwaarborg een must en prijscorrecties (in geval van ‘lijken in de kast’) dienen beperkt te worden in de tijd. André Geeroms rondde zijn betoog af met enkele juridische en fiscale hete hangijzers (zie extra web), en besloot met de wijze woorden: “Wie een overdracht professioneel aanpakt, zal niet zo gauw voor verrassingen komen te staan.”

Hoeveel is mijn onderneming waard?

René Rosiers, Head M&A Middle Market ING Belgium nam de fakkel over met een onderwerp waarop heel wat aanwezigen zaten te wachten: de waardering van de onderneming. “De waardering is het meest delicate aspect bij verkoopsonderhandelingen”, aldus René Rosiers. “Zolang de partijen het niet eens zijn over de waardering, heeft het geen zin om verder te onderhandelen.” De waardebepaling is een moeilijke oefening omdat het geen exacte wetenschap is en men zowel het verleden, het heden als de toekomst in rekening moet brengen.

 René Rosiers onderscheidt liefst zestien soorten van waarde: boekwaarde, intrinsieke waarde, kredietwaarde, marktwaarde, toegevoegde waarde…  en allen zijn medebepalend voor de waardebepaling. Essentiële elementen zijn echter: een zuivere balans, regelmatige inkomsten, structuur, onafhankelijkheid, financieel evenwicht, return on capital en de levenscyclus. Zo moet de balans een correcte weerspiegeling zijn van de onderneming, mag de bedrijfsleider niet alle activiteiten naar zich toetrekken, mag het bedrijf niet te afhankelijk zijn van bepaalde klanten (bij meer dan 10% afhankelijkheid betreedt men de gevarenzone), maar ook niet van zijn leveranciers en personeel.

De capaciteit om consistente cashflows te genereren, is doorslaggevend bij de waardepaling. Het verleden is geen waarborg voor de toekomst, wel een maatstaf. Toch dringen zich correcties op: wegfilteren van uitzonderlijke kosten of opbrengsten, van kosten die vreemd zijn aan de exploitatie, een ‘abnormaal’ loon van de bedrijfsleider… René Rosiers eindigde zijn betoog met enkele methoden van waardebepaling, waaronder een aantal ‘quick tests’.

Ondernemers aan het woord

De infosessie werd afgerond met getuigenissen van twee sprekers die bereid waren hun praktijkervaring te delen met het publiek. Arthur Jan Pierre, gedelegeerd bestuurder Pierre Management Consultancy sprak over de knelpunten bij het overlaten van een familiebedrijf aan de volgende generatie. Jean-Claude Wibo, gedelegeerd bestuurder Vlassenroot, gaf een gesmaakte speech, doorspekt met interessante anekdotes over onder meer de waardering, de moeilijke waardebepaling van voorraden, de rol van raadgevers, de bedrijfscultuur, omgaan met verandering en psychologische elementen. Zo kan een foto aan de muur van de vorige eigenaar al wonderen doen om als overnemende partij aanvaard te worden…

09:25 Gepost door Jean Lievens in bedrijfsnieuws | Permalink | Commentaren (0) | Tags: 032, besrijfsnieuws |  Facebook |