10-05-07

Wordt de lokale fiscaliteit bedreigd?

Onderstaande tekst werd geschreven in opdracht van Publitec voor het magazine ING Institutioneel (april 2006) 

 

Wordt de lokale fiscaliteit bedreigd? 

 

Volgens de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) gaat het niet zo goed met de fiscale autonomie van de Belgische gemeenten. Beslissingen van de centrale overheden hebben regelmatig een negatief effect op de gemeentelijke inkomsten, en het alomtegenwoordige anti-belastingsdiscours voorspelt niets goed voor het aangekondigde fiscaal pact tussen de Vlaamse overheid en de gemeenten. 

 

In 2002 haalden de Vlaamse gemeenten gemiddeld 47% van hun gewone inkomsten uit belastingen. In Wallonië is dat 38%, omdat Waalse gemeenten relatief meer middelen van de gewestelijke overheid krijgen. Nederlandse gemeenten zijn gemiddeld een stuk groter dan de Belgische en beschikken over meer bevoegdheden, maar halen slechts 8% van hun inkomsten uit belastingen. In de Scandinavische landen schommelt het cijfer tussen 40 en 60%.  

 

Het belang van de lokale fiscaliteit 

 

Uitgedrukt in percentage van het BBP, scoren de Belgische gemeenten echter laag in vergelijking met het buitenland. Het aandeel van de lokale fiscaliteit in de totale belastingen is laag in België. Dat neemt niet weg dat lokale belastingen een belangrijke inkomstenbron zijn voor onze gemeenten. Jan Leroy, Stafmedewerker Gemeente- en OCMW-Financiën bij de VVSG: “Het is belangrijk dat er een maximale overeenstemming is tussen degene die bepaalt, de kiezer dus, degene die de gemeentelijke diensten geniet, en degene die betaalt, de belastingbetalende burger of onderneming. Hoe groter de overlapping, hoe beter het systeem. Ten tweede rijst er een allocatieprobleem. Het is voor een centrale overheid veel moeilijker om de middelen op een correcte manier te verdelen, omdat de verdeelcriteria gebaseerd zijn op een compromis. Naarmate je het genereren van de inkomsten dichter brengt bij de bron waar ze worden geïnvesteerd, verbetert het systeem. Bovendien neemt de kredietwaardigheid van een gemeente toe naarmate ze meer middelen uit belastingen kan halen. Gemeenten die de fiscale touwtjes meer zelf in handen hebben, kunnen bijkomende belastingen heffen als ze dringend middelen nodig hebben. Als ze afhankelijk zijn van subsidies, beslist een derde partij over de toekenning van extra middelen, waardoor ze bij de ratingbureaus lager scoren op het vlak van kredietwaardigheid.”  

 

Een gemeente kan via belastingfinanciering ook gemakkelijker een eigen beleid voeren. Veronderstel dat ze 50% van haar inkomsten uit belastingen haalt. Als ze haar uitgaven met 10% wil verhogen, moet ze 20% meer belastingen heffen. Als belastingen maar 20% van de inkomsten dekken, moet ze de fiscale druk met 50% opdrijven om dezelfde meeruitgaven te dekken. “Naar de belastingbetaler toe is dat praktisch onhaalbaar,” zegt Jan Leroy. “Hij moet de helft meer betalen voor een relatief kleine uitbreiding van de dienstverlening. Tot slot zet lokale fiscaliteit aan tot zuinigheid. Centraal verdeelde middelen leiden tot verspilling, want alles moet op. Als de gemeente zelf moet aankloppen bij de belastingbetaler, zal ze eerst twee keer nadenken.” 

 

Voorwaarden voor een goede lokale fiscaliteit 

 

In het ideale geval mogen gemeentebelastingen enkel het eigen beleid financieren. De opgelegde taken dienen ze met andere middelen te betalen, zoals subsidies. Helaas leggen de centrale overheden gemeenten regelmatig extra uitgaven op, waardoor die doelstelling in het gedrang komt. Ten tweede bestaat er een grote fiscale ongelijkheid tussen de gemeenten. De opbrengst van één procent aanvullende personenbelasting per inwoner is voor de armste gemeente in Vlaanderen (19,53 euro) drie keer kleiner dan voor de rijkste (55,36 euro). Als we de opbrengst van 100 opcentiemen onroerende voorheffing per inwoner nemen, is de verhouding een op acht!

 

Jan Leroy: “Die fiscale kloof wordt door het gemeentefonds wel gedeeltelijk gecompenseerd, maar onvoldoende. Het is ook onverantwoord dat de federale overheid wegens puur budgettaire redenen de inkohiering van de personenbelasting zo lang mogelijk naar voren schuift, waardoor een vlotte doorstorting van de aanvullende personenbelasting naar de gemeenten onmogelijk is. Voor de onroerende voorheffing bestaat wel een goed werkend voorschottensysteem.” Voor een degelijke lokale fiscaliteit zijn ingrepen in de fiscale basis door de centrale overheden uit den boze. Jan Leroy: “Gemeenten fietsen mee op de reglementering die van toepassing is op de basisbelasting. Een belastingverlaging op federaal niveau betekent ook minder (aanvullende) belastingen voor de gemeenten.”  

 

Lokale fiscaliteit onder vuur 

 

De centrale overheden leggen de gemeentes alsmaar meer fiscale beperkingen op. Een van de meest opvallende maatregelen is de bestraffing bij ‘onwenselijke’ aanslagvoeten. In dat verband loopt de aanpak in beide gewesten uiteen. Het Vlaams decreet op het gemeentefonds bepaalt dat gemeenten minstens 5% aanvullende personenbelasting en minimum 700 opcentiemen moeten heffen. Komen ze die minima niet na, dan krijgen ze minder toelagen. In Wallonië geldt dan weer een ‘Paix fiscale’ die de gemeenten maximumtarieven oplegt! De centrale overheden knabbelen ook systematisch aan de fiscale basis.

 

Jan Leroy: “Er liggen verschillende wetsvoorstellen klaar die de gemeente-inkomsten treffen: een korting op de onroerende voorheffing van energievriendelijke woningen, de afschaffing van de onroerende voorheffing op cultuur- en sportinfrastructuur… Het is gemakkelijk geschenken te geven die door anderen worden betaald. 75% van de onroerende voorheffing komt immers de gemeenten ten goede. Verder zijn er tal van vonnissen en arresten die de gemeentelijke fiscaliteit inperken en komen forfaitaire belastingen steeds meer onder vuur te staan.” Tot slot heerst een algemeen klimaat tegen belastingen. Er is een grote druk vanuit de bedrijfswereld voor de afschaffing van allerhande lokale belastingen. Het denigrerende begrip ‘pestbelasting’, gelanceerd in 2004, is vandaag alom ingeburgerd en viseert vooral de lokale belastingen. Alsof gemeenten belastingen heffen om burgers of bedrijven te ‘pesten’… 

 

Kan in die context het aangekondigde fiscaal pact iets anders betekenen dan een zware inperking, zoniet de afschaffing van de gemeentelijke fiscaliteit? Jan Leroy: “De VVSG vraagt de herbevestiging van de fiscaliteit als essentieel onderdeel van de lokale financiering. Dat werd ook expliciet bepaald in het bestuursakkoord van 2003 tussen de Vlaamse regering en de lokale besturen. Daarnaast is de juridische vrijwaring van de lokale fiscale basis essentieel. Misschien moeten bij wet of decreet extra fiscale mogelijkheden worden gecreëerd om de gemeentelijke fiscale zekerheid te vergroten. We hebben geen bezwaar tegen een modernisering van het systeem van de onroerende voorheffing, bijvoorbeeld via diversificatie van de opcentiemen volgens wijken. Opcentiemen op de vennootschapsbelasting vinden we een minder goed idee, omdat vennootschappen dan zullen ‘uitwijken’ naar gemeenten met de laagste opcentiemen. Een gemeentelijk aandeel in de vennootschapsbelasting is een beter alternatief. Tot slot hopen we op een vruchtbaar debat tussen de gemeenten en de Vlaamse overheid om tot een fiscaal pact te komen dat leidt tot een verbetering van de lokale fiscaliteit, niet een verdere inperking!”  

 

Kader 

De mening van de fiscalist 

 

We legden de mening van de VVSG voor aan Willy Huber, vennoot van het fiscaal advocatenkantoor Dauginet & Co. Willy Huber adviseert en begeleidt lokale overheden en behartigt de belangen van zowel overheden als belastingplichtigen. 

 

Voor een betere communicatie tussen de diverse overheden

Willy Huber: “Het is inderdaad zo dat de hogere overheden vaak extra taken en uitgaven opleggen aan de gemeenten. De kost hiervan eenvoudig doorschuiven naar de burger lijkt mij geen correcte handelwijze. Ik pleit daarom veeleer voor een betere communicatie tussen de diverse overheden om samen een bevredigende oplossing uit te werken. Jan Leroy wijst terecht op het feit dat de hogere overheden ook beslissingen nemen die de gemeentelijke inkomsten treffen. Die situatie heeft echter nog een ander aspect. Er lopen heel wat procedures in verband met de onroerende voorheffing tegen het Vlaams Gewest of in verband met de personenbelasting tegen de Belgische Staat. Gemeenten hebben ten aanzien van dergelijke betwistingen een belang, nu zij gerechtigd zijn tot de opcentiemen op de onroerende voorheffing en tot de aanvullende gemeentebelasting. Probleem is dat gemeenten vaak niet eens op de hoogte zijn van die betwistingen, laat staan dat zij er als belanghebbende in tussenkomen. Ook op dat vlak zouden er betere afspraken kunnen komen tussen de diverse overheden.”  

 

Inkomsten afstemmen op het beleid

Willy Huber: “Volgens de VVSG kunnen gemeenten via belastingen een beter beleid voeren. Jan Leroy pleit voor zoveel mogelijk fiscale autonomie en vrijheid. De vraag is echter of je gemeentelijke belastingen niet beter beperkt tot materies waarvoor gemeenten specifiek bevoegd zijn. Ik denk niet dat een gemeente haar beleid verbetert naarmate ze meer belastingen kan innen, wel als ze haar belastingen afstemt op het beleid waarvoor ze bevoegd is. Ik denk bijvoorbeeld aan belastingen op leegstand, verkrotting, onbebouwde percelen, gebruik van het openbaar domein... Beleidsmatig kan men zich vragen stellen bij ‘algemene’ gemeentebelastingen op bijvoorbeeld motoren, exploitaties of automaten. Dergelijke taksen hebben op zich niets met een beleid te maken, maar dienen alleen om financiële middelen te verwerven. Er bestaan zelfs diverse gemeentebelastingen op tewerkgesteld personeel! Ik denk dat je in sommige gevallen, indien niet van pestbelastingen, minstens van beleidsmatig contraproductieve belastingen kan spreken…”  

 

Over de gemeentelijke fiscale autonomie

Willy Huber: “In het Waals Gewest vaardigt de minister van Binnenlandse Aangelegenheden jaarlijks een circulaire uit met budgettaire aanbevelingen, onder andere aangaande de lokale fiscaliteit. De minister somt op wat niet mag, geeft de algemene beginselen weer waarmee de gemeenten rekening moeten houden, noemt een aantal belastingen die volgens hem niet kunnen, ook al zijn ze wettelijk niet verboden, en schrijft andere minima en maxima voor. De VVSG lijkt gekant tegen een dergelijke inmenging en lijkt voorstander van de fiscale autonomie op zijn ruimst. De ervaring leert evenwel dat heel wat gemeenten rechtszekerheid door middel van een sterkere leidraad en strakkere normen zouden verkiezen boven ruime maar onzekere fiscale mogelijkheden. Er lopen immers tal van rechtszaken die betrekking hebben op betwiste lokale belastingen omdat het wettelijke kader te vaag is, soms met desastreuze gevolgen voor de gemeentefinanciën. Vaak komt daar heel wat juridische ‘spitstechnologie’ bij te pas, waartegen kleinere gemeenten, waar de secretaris of ontvanger er alleen voor staat, niet opgewassen zijn. Duidelijke en onderbouwde richtlijnen van wat kan en wat niet kan, zouden bijgevolg wel degelijk aangewezen kunnen zijn.”

17:35 Gepost door Jean Lievens | Permalink | Commentaren (0) | Tags: fiscaliteit, financiele sector, economie en financien, 008 |  Facebook |

Economische vooruitzichten 2006: naar een convergentie van de groei

?

Onderstaande tekst werd geschreven in opdracht van Publitec voor het magazine ING Onderneming

Hoe evolueert de wereldeconomie?

Peter Vanden Houte: “Na een schitterend 2004 is de wereldeconomie in de eerste helft van 2005 wat vertraagd, vooral omdat de bedrijven hun hoge voorraden hadden afgebouwd. Maar sinds de zomermaanden zien we onderliggend weer duidelijke tekenen van een economische versnelling, wat toch merkwaardig is gezien de orkaanschade in de VS. De orkanen hebben wel een tijdelijke storing veroorzaakt, maar de vrees dat ze de Amerikaanse economie op de knieën zouden krijgen, bleek ongegrond. Het ziet er sterk naar uit dat 2006 aanvat met een groeiversnelling, ook in Europa.” 

Hoe komt het dat de hoge olieprijzen geen roet in het eten gooien?

Peter Vanden Houte: “Normaal gezien knaagt een prijsstijging van 10 dollar voor een vat ruwe olie ongeveer 0,5% af van de economische groei in de industrielanden. In de eerste helft van 2005 steeg de prijs per vat met meer dan 20 dollar, maar de impact daarvan bleef beperkt omdat de langetermijnrentes gezakt zijn. Vroeger reageerden de centrale banken op een olieprijsstijging met een verhoging van de kortetermijnrente uit vrees voor inflatie. Vandaag hechten ze meer belang aan de groei, temeer omdat ze oordelen dat de ondernemingen de hogere energieprijzen moeilijk kunnen doorrekenen in hun verkoopprijzen. Natuurlijk heeft de dure olie een negatief effect op de winstmarges van de bedrijven en de consumptie van de gezinnen, maar door de reactie van de financiële markten bleef de negatieve economische weerslag beperkt.” 

Wat zijn de verwachtingen voor de olieprijzen in 2006?

Peter Vanden Houte: “Het slechte nieuws is dat de surpluscapaciteit ook volgend jaar vrij laag blijft. Momenteel bedraagt die ongeveer één miljoen vaten per dag, tegenover een dagelijkse productie van ongeveer 83 miljoen vaten. Die buffer is te klein. Anderzijds is er in 2005 meer ruwe olie geproduceerd dan nodig, waardoor consumerende landen over ruim voldoende voorraden beschikken. De dure olie is bijgevolg toe te schrijven aan de vrees voor tekorten, veroorzaakt door onvoorziene schokken. Zo ontketende de orkaan Katrina een speculatiegolf die de olieprijs tijdelijk tot boven de 70 dollar tilde. Anderzijds hebben de OPEC-landen laten verstaan dat ze zich tevredenstellen met een olieprijs van 50 dollar en doen ze er alles aan om de markt te kalmeren. Wanneer de olieprijs boven de 60 dollar klimt, komt niet alleen de vraag onder druk, maar worden alternatieve energiebronnen aantrekkelijker. Zo bouwt China volop nieuwe kerncentrales en ook in Europa staat kernenergie weer bovenaan de agenda. Canada ontgint met behulp van nieuwe technieken olie uit teerzanden, een activiteit die in de jaren 90 onrendabel was vanwege de lage olieprijzen, maar nu is uitgemond in een ware oliebonanza. Om al die redenen denken we dat de olieprijzen volgend jaar niet verder zullen stijgen, maar zullen schommelen tussen de 50 en 60 dollar per vat.” 

Wat zijn de gevolgen van de hoge olieprijzen op de inflatie?

Peter Vanden Houte: “Dit jaar hadden de olieprijzen duidelijk een inflatieverhogend effect. In België zal de gemiddelde inflatie waarschijnlijk net geen 3% bedragen, terwijl volgens de berekeningen van de Nationale Bank de onderliggende inflatie (die geen rekening houdt met volatiele elementen) slechts 1,3% is. De hausse is dus vooral het gevolg van een olie-effect. Aangezien we volgend jaar geen verdere olieprijsstijgingen verwachten, valt het inflatie-effect ervan grotendeels weg. Waarschijnlijk gaan we terug naar een niveau van rond de 2% of zelfs iets lager. De centrale banken vrezen wel dat de huidige hoge olieprijzen volgend jaar zullen doorsijpelen in de prijzen en de lonen waardoor de onderliggende inflatie wereldwijd lichtjes zal toenemen, maar we moeten dat effect niet overdrijven.” 

Tot nu toe hebben de FED (Federal Reserve Board) en de ECB (Europese Centrale Bank) de rentevoet zeer laag gehouden. Komt daar volgend jaar verandering in?

Peter Vanden Houte: “Het lagerentebeleid van zowel de FED als de ECB is een belangrijke rem geweest op een stijging van de langetermijnrente, maar volgens het IMF hebben ook andere factoren een rol gespeeld. Vooral Japan, Europa en China investeren relatief te weinig en hebben een spaaroverschot opgebouwd dat een domper zet op de langetermijnrente. In de VS zitten de rentevoeten in de lift, en ook in Europa verwachten we dat de kortetermijnrente in de loop van 2006 zal stijgen. De ECB begint zich immers zorgen te maken over de te snelle groei van de geldhoeveelheid en de huizenprijzen, die op termijn inflatoire gevolgen kan hebben. Momenteel blijft de Europese economie nog wat kwakkelen, maar zodra de groei duidelijker wordt, verwachten we dat de ECB de rente zal optrekken.” 

Is de ongelijkmatige ontwikkeling van de economieën binnen Europa een bijkomend probleem voor de ECB?

Peter Vanden Houte: “Ik denk dat de convergentie van de economische groei in 2006 niet alleen wereldwijd, maar ook binnen Europa zal toenemen. In de voorbije jaren waren vooral de VS en in mindere mate China de locomotief van de wereldeconomie, terwijl Europa en Japan met een zwakke binnenlandse vraag worstelden en vooral profiteerden van de export naar die landen. We verwachten echter dat de Amerikaanse groei in de tweede helft van 2006 zal vertragen. Maar het goede nieuws is dat in Europa en vooral in Japan de binnenlandse vraag begint op te leven. De Japanse groei versnelt dankzij het herstel van de consumptie. Voor Europa durf ik nog niet te vroeg victoriekraaien, maar we zien toch een aantal positieve signalen. Het consumentenvertrouwen herstelt zich overal, ook in Duitsland waar de hervormingen vruchten beginnen af te werpen. We noteren bovendien een verbetering op de arbeidsmarkt en de sterke huizenmarkt blijft de Europese consumenten een hart onder de riem steken. We verwachten niet meteen een economische boom in Europa, maar toch een duidelijk herstel. De groeipercentages van de VS en Europa zullen bijgevolg naar elkaar toegroeien en we verwachten hetzelfde fenomeen binnen de EU.” 

Waarom verwacht ING een verzwakking van de Amerikaanse economie?

Peter Vanden Houte: “We denken dat het Amerikaanse groeitempo in de eerste helft van 2006 blijft aanhouden, mede door het stimulerende effect van de wederopbouw na de orkanen. In de tweede helft verwachten we echter een groeivertraging door een matiging van de consumptie en de stijging van de rentevoeten. De spaarquote in de VS is momenteel negatief en de huizenmarkt oververhit. In de loop van 2006 zal die markt beginnen afkoelen, met negatieve gevolgen op het consumentenvertrouwen. Wat vooral zorgen baart, is de sterke toename van wat ik zou noemen de exotische financiering van de hypotheken. Door de opeenvolgende stijgingen van de kortetermijnrente worden Amerikanen die een hypotheeklening hebben afgesloten met variabele rentevoet afgestraft. Daarnaast zijn er de zogenaamde ‘interest only-contracten’ waarbij de kopers in de eerste jaren enkel interesten betalen. Heel wat Amerikanen hebben op die manier een huis gekocht, in de hoop het te kunnen verkopen met een fikse meerwaarde, liefst nog voor het moment dat de terugbetaling van hun lening de hoogte inschiet. Het zijn puur speculatieve contracten die heel wat gezinnen in moeilijkheden zullen brengen eens de huizenmarkt begint af te koelen.” 

Wat verwacht ING voor de dollarkoers?

Peter Vanden Houte: “In 2005 heeft de dollar het verrassend goed gedaan. Het groene biljet is ongeveer met 10% in waarde gestegen tegenover de euro, terwijl iedereen zich begin 2005 aan een verdere verzwakking verwachtte. Veel heeft te maken met de positionering van de beleggers, die een ondergewicht aan dollars in hun portefeuille hielden. Er was niet veel goed nieuws nodig om een toevlucht naar de dollar op gang te brengen. De renteverhoging in de VS en de perikelen rond de Europese grondwet hebben de dollar omhooggeduwd. Daarnaast waren er de effecten van de American Job Creation Act, een Amerikaanse versie van de EBA (Eenmalig Bevrijdende Aangifte) waarmee de regering Bush Amerikaanse bedrijven wil aansporen om hun geaccumuleerde winsten in het buitenland via een goedkope aanslagvoet naar Amerika te repatriëren. Voor dit jaar wordt het netto-effect van die maatregel op 220 miljard dollar geschat. Het gaat hier echter om een eenmalige maatregel waarvan het effect volgend jaar wegvalt. Het lopende tekort op de Amerikaanse lopende balans blijft zeer hoog, namelijk 6% van het BBP. We denken daarom dat er volgend jaar een einde komt aan de dollarhausse, zeker wanneer de ECB de rente optrekt op een ogenblik dat de markt geen verdere rentestijgingen meer verwacht in Amerika. We verwachten dat de dollar-euroverhouding tegen het einde van volgend jaar weer dicht tegen de 1,30 staat.” 

Wat verwacht ING voor de Belgische economie?

Peter Vanden Houte: “We zijn vrij optimistisch voor de ontwikkeling van de Belgische economie in 2006. Dit jaar is de groei ongeveer 1,3%, voor volgend jaar verwachten we iets meer dan 2%. Het consumentenvertrouwen zit opnieuw in de lift, de arbeidsmarkt verbetert en de regering voert nog steeds een fiscaal expansief beleid waardoor de gezinnen over iets meer middelen beschikken. Volgens de laatste enquêtes plannen de bedrijven meer investeringen. Bovendien verwachten we een blijvende groei in de residentiële constructie. Alles samen levert dat toch een zekere voedingsbodem voor een redelijke economische groei in 2006. Het enige minpunt is het sociale klimaat. Wanneer het negatieve sociale klimaat rond de eindeloopbaan blijft aanhouden, kan dat op het gemoed van de consumenten wegen en ook een negatieve weerslag hebben op de investeringsbereidheid van de ondernemers. Maar normaal gezien zal de Belgische economie beter presteren dan in 2005.” 

Dank u voor dit gesprek.

SEPA: naar een uniforme Europese betaalruimte

Onderstaande tekst werd geschreven in opdracht van Publitec voor het magazine ING Onderneming (september 2006)

 

SEPA: naar een uniforme Europese betaalruimte

 

Vanaf 2008 wordt het binnen de eurozone mogelijk om via overschrijvingen, domiciliëringen en betaalkaarten even vlot te betalen als vandaag het geval is binnen de grenzen van een land. SEPA, de Single Euro Payments Area, stelt de bankwereld voor een bijzonder grote uitdaging.

 

De lijst van aanpassingen die nodig zijn voor SEPA is lang: het vervangen van de nationale rekeningnummers door internationale rekeningnummers, de aanpassing van de formaten van overschrijvingen en domiciliëringen, de technische adaptaties die nodig zijn voor een universeel gebruik van de betaalkaarten binnen Europa, de upgrade van de software voor het elektronisch bankieren, het scheppen van een uniform wettelijk kader enzovoort. Over de achtergrond, de uitdagingen, de huidige stand van zaken en de toekomst van SEPA praten we met Frank Taal, Global Head ING PCM Product, Channel & Solution Management. We publiceren hier het eerste deel van het interview, het tweede deel kunt u lezen in het volgende nummer van ING Onderneming.

 

Een politiek project dat via zelfregulering wordt uitgevoerd

 

Waar komt het idee van SEPA vandaan?

Frank Taal: “SEPA vloeit voort uit de strategische beslissing van de Europese top van Lissabon van maart 2000, om tegen 2010 van de Europese Unie de meest competitieve regio ter wereld te maken. Een van de elementen die nodig zijn om die ambitieuze doelstelling te bereiken, is de creatie van een Europese betaalmarkt waarbij de betalingsverschillen tussen de lidstaten verdwijnen en alle betalingen binnen Europa ‘binnenlandse betalingen’ worden. Omdat er nog een conversieprobleem bestaat tussen de verschillende muntsoorten, blijft SEPA in een eerste fase beperkt tot de huidige twaalf lidstaten die de euro als nationale munteenheid hebben, plus Slovenië die de eurozone in 2007 vervoegt.”

 

Hoe hebben de Europese banken zich georganiseerd om SEPA te realiseren?

Frank Taal: “De Europese banken hebben in 2002 de European Payments Council (EPC) opgericht om SEPA via zelfregulering tot stand te brengen. Zonder dat initiatief zou de Europese Commissie waarschijnlijk SEPA bij wet hebben opgelegd, naar het voorbeeld van de pricing regulation, die de prijs voor grensoverschrijdende eurobetalingen onder de 12.500 EUR gelijkschakelde met die voor binnenlandse betalingen. In de EPC zetelen vertegenwoordigers van de coöperatieve banken, de spaarbanken en de commerciële banken van alle lidstaten. Nederland en België hebben er elk vier afgevaardigden, ING wordt er vertegenwoordigd door Robert Heisterborg, General Manager Payments and Cash Management ING.”

 

Een krappe planning

 

Hoe verloopt de planning voor SEPA?

Frank Taal: “Begin 2004 publiceerde de EPC een white paper met de verbintenis om SEPA te ontwikkelen, waarbij de eerste producten moeten gereed zijn tegen 1 januari 2008, tegen 2010 moet de migratie van de bestaande betaalinstrumenten naar de nieuwe SEPA-producten  al een fors eind gevorderd zijn. Over hoelang die overgangsperiode zal duren, is nog een discussie aan de gang. Oorspronkelijk oordeelde de Europese Commissie dat de hele operatie binnen het jaar diende te worden afgerond, maar inmiddels is bij alle partijen - ook de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank - het besef gegroeid dat dit een onhaalbare kaart is. Het is nu eenmaal ondenkbaar om miljoenen cliënten in een dergelijk snel tempo te doen overschakelen op de nieuwe producten.

 

Is die planning realistisch?

Frank Taal: “In tegenstelling tot de euro die bij wet werd geïntroduceerd, is SEPA een zelfregulerend project, waaraan bijgevolg meer risico’s verbonden zijn. Bovendien is het een beduidend groter project dan de omschakeling naar de euro. Nu de deadline in zicht komt, begint het bewustzijn van de omvang van het veranderingsproces pas door te dringen. Maar er is geen weg terug omdat het engagement van de banken naar de politieke wereld toe al veel te ver gevorderd is.”

 

De uitdaging van de harmonisering

 

Wat is er nodig om de nieuwe producten tegen 2008 mogelijk te maken?

Frank Taal: “De eerste vereiste is het vastleggen van nieuwe standaarden. Momenteel verschillen de betaalproducten in alle opzichten van elkaar: de technische aspecten (formaten) het wettelijke kader, de prijsstructuur, de processingtijden, het al dan niet werken met mandaten… Om u een voorbeeld te geven: voor het terugdraaien van een betaling via domiciliëring hebt u in België vier dagen, in Nederland dertig, in Duitsland zes weken en in het Verenigd Koninkrijk is de termijn onbepaald. In België wordt voor een domiciliëring gewerkt met mandaten, geadministreerd door de bank, in Nederland met een incassovergunning die bij misbruik kan worden ingetrokken. Ook het aantal verwerkingsdagen van een overschrijving loopt sterk uiteen. In België en Nederland staat het geld al na één dag op de rekening, in Italië of Spanje pas na twee tot vier dagen. België en Nederland zijn niet alleen het snelst, maar ook het goedkoopst. Een overschrijving is bij ons gratis (of er is hooguit een pakkettarief), in Italië is het heel normaal om voor een betaling twee euro te vragen, plus nog eens twee dagen valutering. In België is dat laatste bij wet verboden, in Nederland mag het nog wel, maar het wordt beperkt toegepast. U merkt dat het een enorme uitdaging is om dat allemaal te harmoniseren. Bovendien zijn er grote belangenverschillen tussen de lidstaten. Een Spaanse spaarbank kan bijvoorbeeld heel wat verliezen, terwijl een Belgische bank naar verhouding meer te winnen heeft.”

 

Hoever staat die harmonisering?

Frank Taal: “Binnen de schoot van de EPC zijn er twee Europese standaarden gedefinieerd: een voor de European Credit Transfer (overschrijving) en een voor de Pan European Direct Debet (domiciliëring). Daarnaast is ook een Single European Cards Framework ontwikkeld voor de betaalkaarten. De Europese Commissie is van haar kant bezig met het uitwerken van een Payment Services Directive die eind dit jaar zou moeten af zijn. Die Europese Richtlijn dient dan in de loop van 2007 te worden omgezet in de nationale wetgeving van alle lidstaten, zodat het wettelijke kader in orde zou zijn bij de introductie van de nieuwe producten op 1 januari 2008. Voor de banken is het een helse uitdaging om de nieuwe producten op tijd klaar te krijgen, maar ook de politieke overheden werken met een zeer krappe agenda om ze juridisch aanvaardbaar te maken.”

 

In het tweede deel van het interview gaat Frank dieper in op de nieuwe producten en de manier waarop ze zullen worden geïntroduceerd.