25-09-07

Bekaert Steel Cord: Staaldraad heeft nog een grote toekomst

Deze tekst dateert van september 2003.
Geschreven voor Publitec op aanvraag van Beckaert


Bekaert Steel Cord: Staaldraad heeft nog een grote toekomst

Met ongeveer 30% van de totale omzet is Steel Cord een van de hoofdpijlers van het West-Vlaamse staalbedrijf Bekaert. De kernactiviteit van die businessunit, die vorig jaar zijn vijftigste verjaardag vierde, is de productie van staaldraad ten behoeve van de bandenindustrie. Ondanks dichtslibbende wegen in de rijke industrielanden, ziet Daniël Chambaere, Marketing & Sales Steelcor, de toekomst van Steel Cord rooskleurig in op wereldvlak. Vooral de ‘emerging markets’, met China op kop, hebben nog heel wat groeipotentieel. Een gesprek.

Wat is de positie van Steel Cord op de wereldmarkt?
DC: De met staaldraad versterkte autoband is een uitvinding van Michelin, die als eerste staaldraad begon te produceren voor eigen gebruik. Bij de oprichting van Steel Cord vijftig jaar geleden, was de markt voor tire cord voor radiaalbanden quasi onbestaande. In de voorbije vijftig jaar is onze productie pijlsnel de hoogte ingegaan, waarbij onze strategie er steeds in heeft bestaan de markt te volgen. Onze productie is gestart in Europa, het eerste continent waar dankzij Michelin de radiaalband is doorgebroken. Begin jaren 80 volgde Amerika. Telkens er in de wereld zich een markt begon te ontwikkelen, zijn wij gevolgd met een lokale vestiging om dichtbij de klant te zijn. Vandaag bedraagt de wereldproductie van staaldraad naar onze schatting zo’n 1.350.000 ton. Ongeveer 40% ervan maakt deel uit van de geïntegreerde productie van de grote bandenproducenten, de rest wordt geleverd door Bekaert Steel Cord en concurrenten. Die 40/60%-verhouding blijft vrij stabiel. Een belangrijk deel van de geïntegreerde productie is trouwens afkomstig van Steel Cord, omdat wij in 1991 wegens strategische redenen een punt hebben gezet achter onze joint venture met Bridgestone, die sindsdien grotendeels over een geïntegreerde productie beschikt. Voor dit jaar schatten wij onze totale productie op iets meer dan 300.000 ton, dat is 23% van de wereldproductie. Aangezien iedere personenauto vijf wielen telt, betekent dat, statistisch gezien, dat Bekaert Steel Cord vertegenwoordigd is in elke wagen!

Hoe ziet u de toekomst van de staaldraadmarkt?
DC: Wij zien de toekomst voor staalkoord optimistisch in en blijven dan ook investeren in die strategische pijler van ons bedrijf. We maken wel een onderscheid tussen de zogenaamde rijpe markten van Noord-Amerika, West-Europa en Japan; en de zogenaamde emerging markets (ontwikkelingsmarkten) die het grootste groeipotentieel hebben. Die groei kan komen ten gevolge van een stijging van het aantal voertuigen, van een toename van de radialisatie, of van beide. In de rijpe markten is de radialisatie van zowel personenwagens als vrachtwagens nagenoeg 100%, zodat daar alleen nog maar een beperkte groei mogelijk is door een toename van het aantal voertuigen. In de ontwikkelingslanden nemen zowel het aantal banden als de radialisatie toe. Het meest frappante voorbeeld is China, waar de markt explosief groeit.

Hoe belangrijk is de productie van staaldraad voor Steel Cord?
DC: Zeer belangrijk, aangezien onze productie voor de bandenindustrie 85% van onze totale omzet bedraagt. 

Wat is uw marktstrategie naar de toekomst toe?
DC: In de rijpe markten wensen wij onze positie te verdedigen en te consolideren. Wij geven geen enkele markt op. Wel voorzien we grote moeilijkheden voor de toekomst. Zo denken we dat het verbruik van staalkoord op de Noord-Amerikaanse markt zal inkrimpen, omdat de grote bandenproducenten steeds meer importeren uit landen met lagere productiekosten. Zo is er in de vakbondsonderhandelingen bij Goodyear sprake van de sluiting van een aantal fabrieken en ook anderen zullen waarschijnlijk capaciteit afbouwen. In de laatste jaren zijn al een aantal belangrijke spelers uit de staaldraadmarkt verdwenen, zoals America Tokio Ropes en Amercord, en veel van onze concurrenten verkeren in ademnood. Wij zijn niet van plan onze capaciteit in onze twee Amerikaanse vestigingen die staaldraad produceren (in Rogers en Dyersburg) nog verder uit te breiden, maar we wensen de bestaande te behouden.
In Europa stellen we een verschuiving van de bandenproductie vast van West-Europa naar Centraal- en Oost-Europa. Alle grote producenten hebben geïnvesteerd in landen als Tsjechië, Polen, Hongarije en nu ook Roemenië. Rusland is waarschijnlijk de volgende aan de beurt. Wij volgen die trend van onze klanten en hebben een nieuwe fabriek gebouwd in Slowakije, die we volop aan het uitbreiden zijn. Daarnaast hebben we in Slowakije Drotovna overgenomen, een staaldraadproducent in Hlohoveceen, die we momenteel aan het “Bekaerdiseren” (moderniseren) zijn. Veel van de lokale staaldraadproducenten werken immers nog met oudere technologieën en leveren niet de vereiste kwaliteitsproducten.

Heeft Steel Cord nog andere investeringsplannen?
DC: Een van de belangrijkste pijlers in onze strategie zijn de zogenaamde strategische projecten, dat zijn uitbreidingsprojecten in groeimarkten. Wij zijn er bijvoorbeeld van overtuigd dat Rusland een zeer groot potentieel heeft. Als de bandenindustrie zich nog verder naar het oosten verschuift en ook Rusland een groeimarkt wordt, staan we klaar om ook daar te gaan investeren. Maar het schoolvoorbeeld van een explosieve groeimarkt is China. Ten slotte biedt na een lange stagnatieperiode ook Latijns-Amerika nieuwe groeikansen. Steel Cord beschikt over twee fabrieken in Brazilië in joint venture met het Braziliaanse staalbedrijf Belgo. We hebben vrij recent onze plannen moeten aanpassen om ook daar strategische uitbreidingsinvesteringen te doen, omdat er een nieuwe belangstelling is van onze klanten voor landen als Brazilië, Venezuela, Chili en zelfs Argentinië.

Die strategie is gebaseerd om zo dicht mogelijk in de nabijheid van de klant te produceren. Zijn daar ook nadelen aan verbonden?
DC: Op sommige momenten kan je daar spijt van hebben… Als de dollar zeer sterk staat, krijgen we het in de VS zeer moeilijk. Maar we kunnen onze strategie moeilijk baseren op wisselkoersschommelingen. Strategie is op lange termijn. We volgen overigens niet alleen de markt, soms baseren we onze investeringsbeslissing op een groeiontwikkeling die we verwachten. Steel Cord is tien jaar geleden als een van de eerste Westerse bedrijven naar China getrokken omdat we ervan overtuigd waren van het groeipotentieel. Onze eerste vestiging in Jiangyin, niet ver van Shangai, is beginnen produceren in 1995 en binnenkort wordt dat onze grootste staaldraadfabriek ter wereld!  Daarnaast hebben we een bestaand bedrijf overgenomen in Shenyang, in het noorden van China, en ook die fabriek wordt maximaal uitgebreid. Ten slotte zijn we met de bouw begonnen van een derde fabriek aan de kust van Shandong en sluiten we zelfs de bouw van een vierde fabriek niet uit. In de vijftig jaar Steel Cord hebben we nooit een dergelijke explosieve groei meegemaakt. De groei is bijna chaotisch. Een van onze medewerkers in Shanghai vergelijkt de huidige situatie met die van de vroegere oorlogvoerende staten die elkaar bestreden. Dit jaar alleen al zijn er twaalf nieuwe bandenproducenten bijgekomen die allemaal staaldraad nodig hebben…

Zijn er dan geen risico’s verbonden aan die situatie?
DC: Die exponentiële groei brengt inderdaad een risico op oververhitting met zich mee. Op de duur ontstaat het gevaar voor een overcapaciteit, maar dat risico hebben we ingecalculeerd. Bovendien zien we voorlopig geen enkel teken van een groeivertraging en we denken dat de Chinese economie nog verdere impulsen zal krijgen ten gevolge van de organisatie van de Olympische Spelen in 2008 en van de wereldtentoonstelling in 2010. Op de duur zal de groeicurve onvermijdelijk beginnen afbuigen, maar we blijven zeer optimistisch.

Hoe staan de Chinezen tegenover een Westers bedrijf als Bekaert? Spelen er geen culturele elementen in uw nadeel?
CD: Wij proberen ons zo goed mogelijk op te stellen als Chinese staatsburgers. Wij hechten enorm veel belang aan de opleiding van het lokale management en op één expat na, is het volledig management in onze twee bedrijven volledig Chinees. De aanwezigheid van een goed getraind plaatselijk managementteam is trouwens de sleutel van ons succes in China.

Staaldraad wordt steeds meer een bulkproduct. Is het daarom dat Bekaert Steel Cord meer de nadruk legt op andere factoren zoals opleiding, research and ontwikkeling, klantenservice…?
CD: Dat klopt. In China doen we meer dan louter produceren. Wij huldigen er de politiek van ‘customer intimacy’. De nieuwe Chinese bandenproducenten hebben bitter weinig ervaring en daarom staan wij hen met raad en daad bij. Vaak werken starters met oudere technologieën en begeleiden we ze stap voor stap op weg naar een beter product. Men kan immers niet lopen vooraleer men kan wandelen… In dat kader hebben voor het eerst onze R&D-afdeling gedecentraliseerd en een aparte afdeling opgericht in China met als doel om samen met onze Chinese klanten oplossingen te zoeken die het best zijn aangepast aan hun behoeften. Een expat leidt er de operaties, maar voor de rest werken we louter met Chinese ingenieurs. We besparen hierdoor heel wat tijd, kunnen onze klanten een veel betere service geven en uiteraard wordt die politiek plaatselijk enorm geapprecieerd.

Ziet u nog andere potentiële groeimarkten in de wereld?
CD: Het Midden-Oosten heeft heel wat potentieel, maar die regio blijft geplaagd door politieke instabiliteit. Er zijn een aantal bandenfabrieken in het Midden-Oosten, maar er worden zeer weinig radiaalbanden geproduceerd. Naar verluid zou Iran op het punt staan met de productie van radiaalbanden te beginnen, dus misschien openen zich daar mogelijkheden voor de toekomst. De Indische markt zou statistisch gezien even beloftevol moeten zijn als China, maar de evolutie gaat er een stuk trager. Steel Cord heeft er een kleine fabriek in Pune, die dit jaar behoorlijk presteert, beter dan de jaren daarvoor. In Indonesië hebben we een goed draaiende vestiging in Karawang, niet ver van Jakarta, maar ook daar verloopt de evolutie trager dan verwacht. Een belangrijk voordeel is dat wij onze fabrieken grotendeels modulair kunnen opbouwen. Dat betekent dat we kunnen starten met een beperkte productiecapaciteit, en die gaandeweg uitbreiden naargelang de markt groeit.   

Zijn er vervangingsproducten in de markt die op termijn een bedreiging kunnen vormen voor staaldraad?
CD: Aramide is al een aantal decennia een belangrijke uitdager die we ooit als een bedreiging beschouwden, maar vandaag denken we dat ook in de komende decennium het overgrote deel van radiaalband zullen blijven versterkt worden met staal. Aramide is sterker dan staal, maar de meerkost weegt niet op tegen dat voordeel. Aangezien de bandenindustrie zeer kostengevoelig is, blijven we geloven in staaldraad. Aramide wordt zeer veel gebruikt, maar vooral in hoogwaardige toepassingen, zoals bijvoorbeeld kogelvrije verten. In de auto-industrie wordt aramide enkel gebruikt in bepaalde nichemarkten waar de kostprijs geen rol speelt, zoals racewagens. Andere substitutieproducten zoals koolstofvezels (carbon fibres) of PEN (polyethyleennaftalaat) staan nog veel meer in de kinderscheoenen dan aramide, dus ook daar gaat geen bedreiging van uit.

Hoe ziet u de prijs van staaldraad evolueren?
CD: Vooral in het afgelopen decennium is de prijs van staaldraad sterk geërodeerd, zodat sommige producenten er zelfs het bijltje moesten bij neerleggen, eerst in Europa, vervolgens in de VS. De bandenindustrie staat onder de druk van de auto-industrie en schuiven die druk door naar ons. Door die prijserosie zijn verdere uitbreidingsinvesteringen daar niet langer verantwoord. We blijven echter investeren in productontwikkeling, zodat we op technologisch en kwalitatief vlak onze voorsprong kunnen bewaren op de concurrentie, en/of onze klanten een kosteneffectiever alternatief kunnen aanbieden. Dat moet ook, want de staaldraad ter versterking van radiaalbanden is een bulkproduct geworden. Dat geldt niet voor de vrachtwagensector. Veel producenten missen de nodige technologie en het vereiste machinepark om staaldraad ter versterking van vrachtwagenbanden te maken.

Is de kwaliteit van de staaldraad die Bekaert Steel Cord vervaardigt overal ter wereld dezelfde?
CD: Het waarborgen van een uniforme kwaliteit waar ook ter wereld is een van de hoekstenen van onze politiek. Op dat vlak zijn we tot geen enkel compromis bereid. Ook in China werken onze productie-eenheden met hoogwaardige Bekaert-technologie. Aanvankelijk heeft het ons zelfs moeite gekost om onze Chinese klanten daarvan te overtuigen, omdat ze hun staaldraad aanvankelijk wilden importeren uit België.

Hoe ziet u de evolutie van staaldraad in de komende tien jaar?
CD: Wij verwachten in het komende decennium nog altijd een sterke groei, vooral ten gevolge van de introductie en ontwikkeling van de radiaalband in de ontwikkelingsmarkten. Die evolutie is ook nauw verbonden met de ontwikkeling van de infrastructuur van de betrokken landen. De voordelen van de radiaalband, zoals een betere stuurcapaciteit en een zuiniger verbruik,  komen pas tot uiting als de infrastructuur voldoende goed is. Overladen vrachtwagens op hobbelige wegen zijn zelfs beter af met klassieke banden. De opmars van de radiaalband in China is ook toe te schrijven aan het feit dat het land in een razendsnel tempo prachtige snelwegen bouwt. Ook India begint meer inspanningen te doen op het vlak van infrastructuur. Dergelijke infrastructuurwerken scheppen indirect telkens weer nieuwe groeimogelijkheden voor staaldraad, en die evolutie zal in de komende tien jaar absoluut verder gaan.

Kunt u ook nog iets vertellen over de andere producten van Steel Cord?

CD: Het gemeenschappelijk kenmerk van alle producten van Steel Cord is dat ze dienen ter versterking van polymeren, hoofdzakelijk rubber. Zoals gezegd is de productie ten behoeve van de bandenindustrie goed voor 85% van het totaal. Voor de bandenindustrie leveren we twee producten: staaldraad en bead wire (hielendraad), een draad ter versteviging van het stuk over de velg. Daarnaast produceren we hose reinforcement wire (slangendraad), ter versterking van slangen, en belt cords ter versteviging van allerhande transportbanden. Ten slotte zijn er nog een aantal kleinere producten waarvan sawing wire (zaagdraad) de belangrijkste is. Sawing wire is eigenlijk de vreemde eend in de bijt, omdat het product niet dient ter versterking van polymeren of rubber, maar voor het zagen van allerhande producten.  Het ressorteert onder Steel Cord omdat de gebruikte technologie sterk verwant is aan die voor onze andere producten. De belangrijkste toepassingen zijn te vinden in de elektronicasector die sawing wire gebruikt voor het snijden van wafels van halfgeleiders, die dan verder bewerkt worden tot geïntegreerde schakelingen en chips. Sawing wire wordt ook nog gebruikt in zonnepanelen. Een laatste product is fine steel cord, die onder andere gebruikt wordt ter versterking van getande riemen. Een nieuwe ontwikkeling is het gebruik van fine cord in liftlinten, die bij het oprollen veel minder plaats behoeven dan liftkabels. Fine cord wordt ook gebruikt om kogelvrije vesten steekvrij te maken. Kogelvrije vesten zijn versterkt met aramide die wel kogels tegenhoudt, maar niet bestand is tegen messteken. Daarom worden er ook zeer fijne metaalkoordjes doorgeweven. Op dezelfde manier kunnen dekzeilen van vrachtwagens van een grotere bescherming genieten. Transportbanden voor voetgangers in o.a. luchthavens is nog een applicatie, overspanningen van moderne gebouwen zoals de Millenniumdom in Londen een andere… De toepassingsmogelijkheden van fine cord zijn legio. Met dat fine cord mikken we eigenlijk op producten die nog niet bestaan: welke problemen kunnen we oplossen door het gebruik van fine cord? We hebben hierover een brainstorm gedaan, waaruit een schat van ideeën is gekomen.

Voorziet u dat het aandeel van die andere producten in de totale productie van Steel Cord zal toenemen, of verminderen?
CD: Door de sterke groei van de staaldraadmarkt in de ontwikkelingslanden zal het belang van de bandenmarkt voor Steel Cord waarschijnlijk nog toenemen. Steel Cord is nog altijd leider op de markt van hose wire, maar de groeimogelijkheden zijn zeer beperkt en de marges fel geslonken. Vooral Noord-Amerka en Europa blijven belangrijke markten. Veel groei valt er evenmin te verachten van conveyor belts. De mijnindustrie zit al jaren in het slop en heeft weinig behoefte aan nieuwe transportbanden. Bovendien is daar de concurrentiegekomen van ‘monstertrucks’ die met de ertsblokken op en af rijden. Daarnaast produceren we een speciaal product waarop we een patent hebben genomen, Fleximat. Dat zijn staalweefsels ten behoeve van lichtere transportbanden. Ook daar zijn de groeimogelijkheden eerder beperkt. De belangrijkste groeipool is tire cord, maar die volumes verzinken bijna in het niets in vergelijking met de productie van staaldraad. Anderzijds zijn het producten met een hogere toegevoegde waarde die al onze aandacht verdienen. We moeten namelijk op onze hoede zijn dat we die andere producten niet laten verdrinken in de zee van staaldraad. We verwachten trouwens dat de Chinese leiders plannen hebben om de elektronica-industrie te ontwikkelen. De kuststreek is zeer geïndustrialiseerd, maar het binnenland hinkt achterna. Daarom proberen de Chinese leiders met incentives bedrijven aan te sporen om te investeren in het binneland, o.a. in het onontwikkelde Westen. Er is ook sprake van de bouw van een Chinese ‘Silicon Valley’, waardoor er zich een nieuwe markt opent voor sawing wire. Maar staaldraad blijft de levenslijn van Steel Cord. Vergeet niet dat 30% van de omzet van Bekaert afkomstig is van Steel Cord, en staaldraad goed is voor 85% van de omzet van Steel Cord…       

 

15:26 Gepost door Jean Lievens in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: 029, bedrijfscommunicatie, interviews |  Facebook |

20-09-07

CBFA moet maximum gegarandeerde rentevoet bepalen

Onderstaande tekst schreef ik in opdracht van Headline Publishing voor Delta Lloyd Magazine (mei 2005)

Marc Verwilghen, minister van Economie:
CBFA moet maximum gegarandeerde rentevoet bepalen
 
De maximum gegarandeerde rentevoet van 3,75% weegt zwaar door op de verzekeringssector. Bovendien is die regeling in tegenstrijd met de Europese richtlijn, die bepaalt dat ze 60% van de OLO-rente moet bedragen, wat vandaag neerkomt op ongeveer 2%. Een verlaging dringt zich al lang op, maar wat denkt de bevoegde minister Marc Verwilgen hierover? DL Magazine trok met een aantal prangende vragen naar zijn kabinet in het hartje van Brussel.

Marc Verwilghen zetelde van 1991 tot 1999 in het parlement voor de toenmalige PVV en is sinds 1999 rechtstreeks verkozen VLD-senator. Zijn naam zal waarschijnlijk voor altijd verbonden blijven aan de Onderzoekscommissie Dutroux, die hij met brio voorzat. Na eerder ministerposten te hebben bekleed op Justitie en Ontwikkelingssamenwerking, volgde hij in 2004 Fientje Moerman op als minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid.

DL Magazine: U hebt eerder aangekondigd dat u de gegarandeerde rentevoet van 3,75% in de levensverzekering zou herzien. Kunt u ons uw plannen op dat vlak toelichten?
Marc Verwilghen: “Ik ben mij ten zeerste bewust van het probleem en wil het dan ook ten gronde aanpakken. De rentevoet van 3,75% geldt al zes jaar, hetgeen compleet onverantwoord is gezien de evolutie op de rente- en obligatiemarkten. Die rentevoet ligt beduidend boven 60% van de OLO-rente en is zelfs hoger dan de rente voor obligaties op lange termijn. Ik wens de verlaging van de gewaarborgde maximum rentevoet echter niet per KB door te voeren, maar wil de hele procedure grondig herzien. Uit ervaring blijkt dat een dergelijke technische aangelegenheid beter niet onderworpen is aan een politieke beslissing, maar geregeld moet worden door een mechanisme of procedure dat toelaat om veel vlugger in te spelen op marktontwikkelingen. Daarom wens ik die bevoegdheid over te dragen aan een onafhankelijke, maar technisch competente autoriteit, met name de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA). Ik spreek mij bijgevolg niet uit over een verhoging of verlaging van de maximum gegarandeerde rentevoet, maar wil de wetgeving herzien zodat de CBFA die rentevoet kan aanpassen naargelang de marktomstandigheden.”

DL Magazine: Waarom wordt de Europese richtlijn niet gewoon  overgenomen?
Marc Verwilghen: “Onze wetgeving is inderdaad strijdig met de Europese richtlijn die bepaalt dat de rentevoet maximaal 60% van de OLO-rente mag bedragen. Maar die richtlijn zegt niet over welke OLO-rente het gaat: is het de rentevoet op staatsobligaties op tien jaar, twaalf jaar, vijftien jaar? Mijn kabinet heeft tevergeefs gezocht naar een objectief criterium dat de CBFA als houvast zou kunnen gebruiken. Het criterium van de Europese richtlijn is ongeschikt, want onder bepaalde omstandigheden zou de remedie erger zijn dan de kwaal. Hadden we ons in 1985 gebaseerd op de 60% van de OLO-rente, dan zou volgens berekeningen van de CBFA de gewaarborgde interestvoet vandaag 7 à 7,5% bedragen! Daarom wens ik het criterium van de Europese richtlijn niet te betonneren in de Belgische wetgeving. Maar het idee om de bevoegdheid over te dragen aan de CBFA krijgt wel de steun van het IMF, dat in zijn laatste rapport aandringt om de bepaling van de maximaal gewaarborgde rentevoet toe te vertrouwen aan een autonome autoriteit.”

DL Magazine:Vanuit Assuralia rijst de vraag - vooral onder druk van de grootbanken - om ook de rentevoet van 4,75 te herzien die geldt voor de oudere portefeuilles...
Marc Verwilghen: “Ja, maar daar kan ik onmogelijk op ingaan want dat zou haaks staan op de basisbeginselen van het contractenrecht. Wanneer een verzekeringsmaatschappij een gewaarborgde rentevoet van 4,75% vastlegt in de overeenkomst die hij afsluit met de verzekerde, dan ligt dat contractueel vast en kan een minister daarin niet tussenkomen. We moeten wel een onderscheid maken tussen de klassieke formules met een gewaarborgde rentevoet, en Universal Life-producten. Een herziening van de rentevoet heeft geen invloed op de eerste categorie, behalve voor de nieuwe contracten. Voor Universal Life-producten zal de verlaagde rentevoet alleen gelden voor de nieuwe premies, maar uiteraard niet voor degene die reeds gestort zijn.”

DL Magazine: Dat is goed nieuws voor DL Life, aangezien wij over een jonge portefeuille beschikken. Maar tegen wanneer verwacht u dat de wetgeving wordt aangepast?
Marc Verwilghen: “Over mijn plannen die ik net heb toegelicht, moet nog een consensus worden bereikt binnen de regering. Mijn voorstellen gelden overigens uitsluitend voor de levensverzekering en zijn niet van toepassing op de WAP, die onder de bevoegdheid valt van mijn collega Bruno Tobback.”

DL Magazine: De Europese spaarrichtlijn is inmiddels goedgekeurd, maar die geldt enkel voor de banksector. Liggen er plannen op tafel om ook de verzekeringssector hierin te betrekken?
Marc Verwilghen: “Fiscaliteit valt onder de bevoegdheid van minister Reynders, maar bij mijn weten zijn er geen plannen in die richting. Toch een kleine voetnoot: er kunnen wel problemen opduiken bij gediskwalificeerde verzekeringsproducten, bvb bepaalde producten van Tak 23 die eigenlijk beleggingsproducten zijn en dus onder de spaarrichtlijn vallen.”

DL Magazine: De bank- en verzekeringswereld groeien zienderogen naar elkaar toe. Hoe kijkt u tegen die evolutie aan en bent u bereid om in te gaan op de vraag van de financial planners om erkend te worden?
Marc Verwilghen: “Om met de laatste vraag te beginnen: het antwoord luidt neen, omdat ik de mogelijkheid niet heb om dat te doen. De wetgeving op de verzekeringsbemiddeling wordt volledig vanuit Europa gestuurd via de fameuze richtlijn van 2002, die op 15 januari 2005 geïmplementeerd had moeten worden. Het wetsvoorstel is klaar en zal in de eerstkomende weken aan het parlement worden voorgelegd. De richtlijn van 2002 wordt omgezet in de wet Cauwenberghs, die de verzekeringsbemiddelaars reglementeert. In principe moet elke verzekeringsbemiddelaar een CBFA-inschrijvingsnummer hebben en beantwoorden aan de wettelijke voorwaarden. De nieuwe wet voorziet drie uitzonderingen. Men mag bemiddelen zonder erkenning voor het verzekeren van de eigen onderneming of een onderneming van de groep; wanneer het een verzekering betreft die aanvullend wordt verkocht bij een product of dienst (bvb een annuleringsverzekering bij reizen); en bij het verstrekken van occasionele verzekeringsinformatie (bvb advocaten, notarissen, belastingconsultanten, enz.) De financial planners beantwoorden niet aan die voorwaarden. Ze kunnen bijgevolg geen verzekeringsproducten verkopen, want in dat geval treden ze op als makelaar of bankagent en dienen ze te beantwoorden aan de wettelijke voorwaarden. Maar niets belet hen uiteraard om beide te combineren…”

DL Magazine: Voorziet u wettelijke initiatieven inzake de makelarij van bankproducten?
Marc Verwilghen: “Ook die materie valt onder de bevoegdheid van mijn collega op Financiën. Ik kan u wel meegeven dat senator Luc Willems (VLD) een wetsvoorstel klaar heeft dat het statuut van de bankmakelaar introduceert. Momenteel zijn alleen de tussenpersonen in de verzekeringssector wettelijk gereglementeerd, terwijl veel bankagenten ook optreden als verzekeringsmakelaar en omgekeerd. Wanneer er twee statuten naast elkaar zullen bestaan, wordt het ook nodig om bruggen te bouwen tussen beide, zodat ze met gelijke wapens kunnen strijden en de consument dezelfde wettelijke bescherming kan genieten.”

DL Magazine: Dank u hartelijk voor dit verhelderende gesprek.

 

18:31 Gepost door Jean Lievens in economie en financiën | Permalink | Commentaren (0) | Tags: interviews, economie en financien, 026 |  Facebook |

13-06-07

De strijd van de overheid tegen de papierberg

Deze tekst werd geschreven in juni 2005 in opdracht van Publitec voor ING Onderneming

Een interview met Vincent Van Quickenborne

Ondernemers klagen al jaren steen en been over allerhande administratieve lasten die hen wordt opgelegd door de overheid. Alleen het feit dat in België een staatssecretariaat ‘Administratieve Vereenvoudiging’ werd opgericht, illustreert de schaal van het probleem.

 Maar niemand zal ontkennen dat er in de afgelopen jaren flink wat werk is geleverd. Over de resultaten praten we met Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris Administratieve Vereenvoudiging, die ons hartelijk ontvangt op zijn kabinet in de Wetstraat 18, recht tegenover de werkplek van de premier.  

Vanwaar komt het idee om een kabinet ‘Administratieve Vereenvoudiging’ op te richten? 

Vincent Van Quickenborne: “Door de toenemende concurrentie ten gevolge van de mondialisering vinden bedrijven een goed functionerend overheidsapparaat een steeds belangrijker beslissingscriterium bij de keuze van hun vestigingsplaats. Bovendien wegen de kosten die voortvloeien uit allerhande administratieve verplichtingen te zwaar door. Volgens een studie van het Federaal Planbureau kost de totale papierberg de bedrijfswereld jaarlijks 9,4 miljard euro, dat is bijna evenveel als de opbrengst van de vennootschapsbelasting. Het staatssecretariaat Administratieve Vereenvoudiging heeft als opdracht het overheidsapparaat efficiënter te laten werken en de administratieve last op ondernemingen te verlichten. Deze regering heeft bewust gekozen om de politieke verantwoordelijkheid bij een staatssecretaris te leggen, die bovendien zeer dicht bij de Eerste Minister staat. Het betreft immers een horizontale bevoegdheid die de neutraliteit en autoriteit van de premier nodig heeft om in bepaalde dossiers de knoop te kunnen doorhakken. Uit ervaring in het buitenland blijkt dat je die opdracht beter niet overlaat aan de administratie, of versnippert over een groot aantal ministeries zoals in Nederland. Op het vlak van overheidsinnovatie speelt België een voortrekkersrol, zoals geïllustreerd wordt door het boek ‘Belgen doen het beter’, dat in Nederland verscheen.”  

Welke methodologie hanteert uw kabinet om de administratie te vereenvoudigen?

Vincent Van Quickenborne: “Onze methodologie is zeer eenvoudig. We benaderen de burger en de onderneming als een klant van de overheid. We volgen hun levenslijn en bepalen de scharniermomenten waarop ze met de overheid in contact komen. Voor een bedrijf is dat het moment waarop het start, uitbreidt, personeel in dienst neemt, naar de beurs gaat, de activiteiten stopzet, verkocht wordt… Op al die belangrijke momenten willen we het contact met de overheid vereenvoudigen. Vanuit diezelfde klantenbenadering onderhouden we nauwe contacten met de beroepsorganisaties, maar ik wil de bedrijven ook rechtstreeks bereiken door middel van het meldpunt op onze website (www.kafka.be) en via bedrijfsbezoeken. Momenteel ben ik een ronde aan het afwerken van 100 bezoeken aan ondernemingen die minstens 50 man in dienst hebben. Ik hecht daar bijzonder veel belang aan omdat ik op die manier met beide voeten op het terrein sta en de problematiek veel beter aanvoel.” 

Er is natuurlijk heel wat werk aan de winkel. Hoe worden de projecten geselecteerd?

Vincent Van Quickenborne: “Onze beleidscel telt vijf experts voor het inhoudelijke werk, daarnaast werken zeven ambtenaren op de dienst Administratieve Vereenvoudiging die verbonden is aan de kanselarij van de premier. Met die kleine ploeg kan je binnen een legislatuur van vier jaar uiteraard niet alles vereenvoudigen. We selecteren de projecten op basis van drie belangrijke criteria: hun impact, hun haalbaarheid en de snelheid waarmee ze gerealiseerd kunnen worden, waarbij we een mix beogen van projecten die snel uitvoerbaar zijn en degene die meer tijd vergen zoals het opstellen van databanken en de daaraan gekoppelde internettoepassingen.” 

Starters: even snel als in Hongkong

 

Wat zijn volgens u de belangrijkste verwezenlijkingen voor de bedrijfswereld?

Vincent Van Quickenborne: “We zijn geslaagd in onze prioriteit om beginnende ondernemers gemakkelijker en sneller een bedrijf te doen opstarten. Ondernemers zorgen niet alleen voor hun eigen job, maar zorgen ook voor de enige bron in de samenleving waar meerwaarde wordt gecreëerd. In laatste instantie komen alle overheidsinkomsten uit ondernemingen, niet alleen via de vennootschapsbelastingen en werkgeversbijdragen, maar ook via de werknemersbijdragen die door bedrijven netjes worden ingecalculeerd in de totale loonkosten. De overheid moet bijgevolg een bedrijfsvriendelijker klimaat creëren waardoor er meer ondernemingen worden opgericht. We focussen daarbij op drie ‘G’s’: van ‘Goesting’, ‘Geld’ en ‘Gemak’. Goesting: het ondernemersklimaat moet veranderen zodat mensen weer zin krijgen om te ondernemen. Geld: ondernemers moeten gemakkelijk toegang krijgen tot kapitaal. Ik denk hierbij ondermeer aan het ontwerpdecreet van Fientje Moerman over de vriendenlening, dat particulieren moet aanmoedigen om in de startende zaak van vrienden of kennissen te investeren in ruil voor een belastingsvermindering. Gemak: we willen het mensen gemakkelijker maken om een bedrijf op te starten. Bij mijn aantreden duurde het volgens cijfers van de Wereldbank 58 dagen om een onderneming op te starten, vandaag 26 dagen. We hebben heel het begeleidingsproces van starters toevertrouwd aan de private sector, aan organisaties zoals Voka, Acerta, Eunomia, Securex, Partena, Unizo…Vroeger diende een starter eerst aan te kloppen bij het Handelsregister, de Kamer van Ambachten en Neringen, het BTW-kantoor, het Sociaal Verzekeringsfonds, de Griffie, enzovoort, vandaag kan hij terecht bij een uniek ondernemingsloket dat alles voor hem regelt via de Kruispuntbank van Ondernemingen.”  

Wordt die termijn in de toekomst nog korter?

Vincent Van Quickenborne: “Dit jaar nog willen we ze terugschroeven tot drie dagen! Om dat te bereiken, moeten we de huidige bottleneck van het notariaat wegwerken via het gebruik van elektronische kanalen. Eens dat gerealiseerd, kan een starter in België even snel een zaak oprichten als in Singapore of Hongkong. Vorig jaar is het aantal starters trouwnes voor het eerst in tien jaar met 12% gestegen, een trend die ook dit jaar bevestigd wordt.”  

Een batterij realisaties

 

Wat is er al gerealiseerd voor de bestaande bedrijven?

Vincent Van Quickenborne: “We hebben het uniek ondernemingsnummer ingevoerd, een identificatienummer dat nu reeds het oude BTW-nummer vervangt en op termijn in de plaats komt van alle andere administratienummers. Verder hebben we een hele batterij zeer concrete maatregelen genomen die het leven van de ondernemer een stuk eenvoudiger en goedkoper maken. Zo mogen de bedrijven sinds 2004 gebruikmaken van elektronische facturen. Jaarlijks worden in ons land een miljard facturen verstuurd. En papieren factuur is driekeer duurder dan een elektronische, rekening houdend met de kosten voor papier, printen, verzending… Indien alle ondernemingen gebruik zouden maken van die maatregel, zouden ze samen jaarlijks meer dan 250 miljoen euro besparen. We hebben voor 600.000 bedrijven en eenmanszaken de verplichting van de papieren boekhouding afgeschaft, wat een besparing oplevert van 60 miljoen euro. We zijn stapsgewijze de Kruispuntbank van Sociale Zekerheid aan het uitbreiden, waardoor een hoop administratieve rompslomp die verband houdt met het personeelsbeleid sterk wordt afgebouwd. Een kleinere, maar belangrijke maatregel is de drastische vereenvoudiging van de publicatieregels in kranten en de mogelijkheid om oproepverplichtingen via e-mail te versturen in plaats van per aangetekende brief. Tot slot hebben we de papierlast voor bedrijven die meedingen naar federale overheidsopdrachten zwaar verminderd. Zo hoeven ze bij hun offerte niet langer allerhande attesten (RSZ, BTW, jaarrekeningen, enzovoort) in te voegen Al die maatregelen zijn goed voor een lastenverlaging van 183 miljoen euro, een cijfer dat nog veel hoger zou liggen indien alle ondernemingen zouden gebruikmaken van de elektronische factuur.” 

De bedrijven moeten ook meewillen…

Vincent Van Quickenborne: “Dat is een probleem dat ik vaststel op het terrein. De overheid stelt heel wat middelen ter beschikking om de administratie te verlichten, maar veel ondernemingen lopen wat achter. Slechts 9% van de bedrijven doen hun BTW-aangifte elektronisch. Op het ministerie van Financiën werken 30.000 ambtenaren, waarvan 20% zich enkel bezighoudt met het intikken van cijfers uit papieren aangiftes in de computer. Dat is een enorme verspilling die gemakkelijk kan opgelost worden, op voorwaarde dat zowel bedrijven als burgers maximaal gebruikmaken van de elektronische mogelijkheden die hen worden aangeboden.”  

Hoe worden bedrijven op de hoogte gebracht van al die nieuwe maatregelen?

Vincent Van Quickenborne: “Wij communiceren alleen onze concrete realisaties en hopen dat de media onze positieve boodschap overbrengt. Daarnaast hebben we een druk bezochte  website die heel wat informatie bevat.”  

Zijn er ook maatregelen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op de bankwereld?

Vincent Van Quickenborne: “Bij het Participatiefonds hebben we alles gestroomlijnd in twee eenvoudige pakketten: Starteo voor starters en Optimeo voor groeiers, en worden de door de banken ingediende dossiers sneller behandeld. We zijn ook een project opgestart om het betalingsverkeer naar de overheid te vereenvoudigen en te moderniseren, in samenspraak met de banksector. 

Welke belangrijke projecten staan er nog op til?

Vincent Van Quickenborne: “Er wordt nog meer mogelijk via de unieke bedrijfsloketten, zoals het aanvragen van een vergunning bij het Federaal Agentschap voor Voedselveiligheid. Ook de Kruispuntbank Sociale Zekerheid wordt verder uitgebouwd. Vandaag hebben nog 240.000 werkgevers een RSZ-nummer, dat we zullen vervangen door het unieke ondernemingsnummer. We stellen ook vast dat Europa verantwoordelijk is voor een reeks nieuwe administratieve lasten, zoals de statistiekverplichtingen Prodcom of Intrastat. We zullen dat probleem zeker aankaarten tijdens het Britse voorzitterschap. 

Hartelijk dank voor dit gesprek

 
 

Highlights

 

Volgens een studie van het Federaal Planbureau kost de totale papierberg de bedrijfswereld jaarlijks 9,4 miljard euro.

 

Volgens cijfers van de Wereldbank heeft België de termijn die nodig is om een zaak op te starten teruggeschroefd van 58 naar 26 dagen.

 

De overheid stelt heel wat middelen ter beschikking om de administratie te verlichten, maar veel ondernemingen lopen wat achter.