18-09-07

De aanpak van Faceo: drie cases

Dit artikel schreef ik in opdracht van Publitec voor Faceo (september 2005)

De aanpak van Faceo: drie cases

Minder kopzorgen en (kosten)efficiëntere facilitaire diensten. Dat zijn de twee hoofdredenen om het facilitaire gebeuren toe te vertrouwen aan een professionele facility manager. Om de aanpak van Faceo en de werking van haar teams te illustreren, nemen we u even mee naar drie belangrijke cliënten: Telenet, BASE en Alcatel.

Telenet: soepel inspelen op snelle groei

In november 2004 ging Faceo aan de slag bij Telenet, een snel groeiend Telecombedrijf met hoofdzetel in Mechelen, een bijzetel in Diegem en een aantal kleinere technische standplaatsen verspreid over heel Vlaanderen. In totaal werken er ongeveer 1.750 medewerkers, consultanten inbegrepen. Tot vorig jaar werkte Telenet met diverse onderaannemers. Vandaag staan Roger Lambrecht (site manager) en Mariella Neirinckx (manager soft services) van Faceo in voor het beheer van het volledige facilitaire gebeuren. Tot hun team behoren twee halftime medewerkers die instaan voor de postkamer, een magazijnier en drie klusjesmannen.
Voor de receptiediensten, beveiliging, catering, cleaning, vending, kopieerdiensten, groenonderhoud, toegangscontrole, koffiediensten… werkt Faceo met onderaannemers. Faceo ontfermt zich verder over het onderhoud en kleine herstellingen van de gebouwen, inclusief een 150-tal technische knooppunten (kop-, antenne-, switchstations) verspreid over Vlaanderen.

Roger Lambrecht: “Door de razendsnelle groei van Telenet waren veel facilitaire diensten uit hun voegen getreden en wat aan de controle ontsnapt. Na een grondige doorlichting heeft Faceo ze gestructureerd zodat alles efficiënter en goedkoper kan verlopen. Voor de cleaning maken we bijvoorbeeld gebruik van een QAP (Quality Assurance Plan), een kwaliteitsplan waarbij we aan de hand van een uitgebreide vragenlijst regelmatig checken of de afgesproken kwaliteitsdoelstellingen worden behaald. Via het e-center kunnen de werknemers van Telenet problemen op het vlak van facilities melden en opvolgen. Daarnaast hebben we Geomap geïntroduceerd, een grafische interface om ondermeer na te gaan wie waar zit.”
 
Naast de hoger vermelde diensten, heeft Faceo onlangs de cafetaria volledig vernieuwd en het aanbod fel uitgebreid. Een belangrijke uitdaging bij Telenet is de space planning. Roger Lambrecht “Telenet is een dynamisch bedrijf met een acuut plaatsgebrek waardoor we vaak medewerkers moeten verplaatsen. In afwachting van een nieuw gebouw dat gepland is tegen eind volgend jaar, vangen bureelcontainers de hoogste nood op, en meer zijn gepland. Dat betekent dat we tot eind volgend jaar vrijwel permanent medewerkers moeten verhuizen.”

Na een overgangsperiode die wat langer uitliep dan oorspronkelijk voorzien, verloopt vandaag alles gesmeerd. Roger Lambrecht: “Het duurt minstens zes maanden vooraleer we volledig zijn ingewerkt. We moeten immers van de ene dag op de andere het dagelijkse beheer volledig overnemen, tegelijk een aantal zaken verbeteren, nieuwe systemen implementeren en alle contracten heronderhandelen. Daar kruipt zeer veel tijd in.”

BASE: starten tijdens herstructurering

Bij de mobiele operator BASE werkt Faceo met een eigen team dat bestaat uit een sitemanager, een assistent, een klusjesman en twee postkamerwerkers. BASE stelt een 600-tal mensen tewerk (plus ca 150 consultants), waarvan 500 in het hoofdkantoor te Brussel. De rest is verspreid over winkels in de grotere steden.
Kostenbesparing was de belangrijkste reden om het facilitaire gebeuren (bureelaankopen, verhuis, afvalbeheer, cleaning, catering, security…) uit te besteden, op de receptiediensten na. Faceo heeft zich er contractueel eveneens toe verbonden om een duidelijk en meetbaar besparingsplan door te voeren.

Rudy Logist, operation manager Faceo: “Faceo voorziet altijd een implementatieperiode waarin de referentiekost wordt bepaald. Bij BASE was dat zes maanden. Tijdens die periode berekenen we aan de hand van de facturen van de laatste twaalf maanden de exacte kost per facilitaire dienst. Geen eenvoudige opdracht, aangezien BASE tijdens die periode verhuisde naar nieuwe gebouwen. Zo hebben we voor de schoonmaak de referentiekost moeten bepalen op basis van het aantal vierkante meter.”

Een kostenbesparing van 5% is niet evident aangezien personeelskosten zwaar doorwegen, vooral bij schoonmaak en security. Rudy Logist: “Faceo werkt voor verschillende grote bedrijven en kan via gebundelde offertes scherpere prijzen bedingen dan een individueel bedrijf. Zo zijn de prijzen in de cafetaria nauwelijks gestegen, ook al is de sociale bijdrage van BASE weggevallen. Door onze professionele aanpak en met behulp van onze overkoepelende IT-diensten kunnen we ook efficiënter werken. Wij doen nu hetzelfde werk als vroeger, maar met minder mensen. Onze medewerkers krijgen ook de nodige opleidingen, wat zelden voorkomt in een onderneming die de facilitaire diensten in eigen beheer heeft.”

Alcatel, de geboorteplaats van Faceo

Faceo is gegroeid uit de verzelfstandiging van een aantal facilitaire diensten bij het communicatiebedrijf Alcatel, nu zeven jaar geleden. Alcatel is werkzaam op drie verschillende sites. In het hoofdgebouw in Antwerpen werken een 1.700-tal mensen (2.400 subcontractors inbegrepen), in de productievestiging te Geel 650 en op de site in Namen 330. Daarnaast is er nog een zelfstandige dochter in Hoboken, Alcatel Bell Space, waar ongeveer 80 mensen zijn tewerkgesteld.
De facilitaire diensten worden beheerd door Dirk Van Rosendaal (manager technical services), Nick Haemhouts (manager soft services) en Peter Van  Beecke (sitemanager voor Geel). In totaal werken bij Alcatel twaalf bedienden en veertig arbeiders van Faceo.

Nick Haemhouts: “In januari 1998 heeft Alcatel de onderhouds- en cateringdienst ondergebracht in een zelfstandige entiteit om op termijn goedkoper en flexibeler te werken. Van daaruit is Faceo ontstaan, die instaat voor de volledige facilitaire dienstverlening (op afvalverwerking na) van de vier vestigingen. Van de oorspronkelijke Alcatel-medewerkers die overgenomen zijn door Faceo zijn er al heel wat met pensioen, of overgenomen door onderaannemers, zoals het cateringbedrijf Eurest.”

Faceo verzekert een continue klusjesdienst in Antwerpen (7/7, 24/24) en in Geel (behalve in het weekend), en tijdens de werkuren in Namen. Elke klusjesman is ‘allround’, maar heeft ook een eigen specialiteit: datafonie, HVAC (High Ventilation & Air Conditioning), sleutelmaker, magazijnier…
 
Qua budget is catering de grootste slokop, gevolgd door technisch onderhoud en schoonmaak. Om de kosten te drukken, werden in de afgelopen periode een aantal initiatieven genomen. Nick Haemhouts: “Vorig jaar hebben we de contracten voor schoonmaak en catering heronderhandeld om een firma te vinden die aan alle vestigingen kan leveren en om zo de prijs wat te drukken. Sedert begin dit jaar werken we niet langer met een ‘open boekhouding’, maar binnen vastomlijnde budgetten. Dat vergt een grote aanpassing van medewerkers die het oude systeem gewoon zijn. De druk van zowel de soft services als het technisch onderhoud ligt nu volledig bij Faceo.”

Op het vlak van space planning is vooral de snel uitbreidende vestiging in Namen een belangrijk aandachtspunt, maar de grootste uitdaging is de deelname aan de nakende verhuis van de Antwerpse hoofdzetel.

 

26-08-07

Een nadere kijk op de Radardienst

 

Onderstaande tekst werd geschreven in 2003 in opdracht van Corporate Profiles voor het magazine van Belgocontrol.

 

De dienst Radar (E/E/R) maakt deel uit van de afdeling Engineering binnen het Directoraat-Generaal Uitrustingen. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, beperken de activiteiten van de dienst zich niet tot het radardomein. De medewerkers leveren zowel diensten aan de luchtverkeersleiding als aan de meteodienst van het Directoraat-Generaal Operaties.

Dhr. Rudy Van Hoof is momenteel waarnemend manager van de Radardienst. Hij vervangt er dhr. ArthurVanhulst, die na XX jaren dienst besloot om met vervroegd pensioen te gaan. De dienst bestaat uit vier secties: Meteo Applicaties, Radar Applicaties, Radar Bertem en Radar Saint-Hubert. In vorige edities van Hubnews kwamen de radarstations van Bertem en Saint-Hubert aan bod. Daarom gaan we hier dieper in op de twee eerstgenoemde secties.

1. Meteo Applicaties

Die sectie is verantwoordelijk voor het technisch onderhoud van drie systemen: meteorologische instrumenten, het MetSysteem en de radar- en torensimulator.

- Meteorologische instrumenten
De ploeg die instaat voor het technisch onderhoud van de meteorologische instrumenten bestaat uit Guy De Vos (Diensthoofd), André Grenier, Nicolas Dandoy, Michel Fify, Alain Lauwers, Stéphane Robert et Eric Van Daele.
De meteorologische stations van Belgocontrol leveren de weerkundige gegevens van de streek waarin ze zich bevinden. De waarnemingen hebben vooral betrekking tot fenomenen die van belang zijn voor het luchtverkeer: het huidige en voorbije weer, de windsnelheid en –richting, kwalitatieve en kwantitatieve bewolking, hoogte van het wolkendek, zichtbaarheid, visueel bereik van de piste, lucht- en bodemtemperatuur, vochtigheidsgraad, luchtdruk, barometrische evolutie, extreme temperaturen, bodemstaat, speciale fenomenen. 
Voor de waarneming van al die elementen beschikt elk meteorologisch station over een waarnemingspost en een meteorologisch park. De observatiepost is een klein, speciaal ontworpen gebouw, zodanig gesitueerd dat de waarnemer er een totaalbeeld krijgt van de omgeving. In het meteorologisch park staan de nodige instrumenten opgesteld om de plaatselijke weersomstandigheden te bepalen. Sommige instrumenten bevinden zich langsheen de pistes of aan het uiteinde ervan (transmissometer, ceilometer, anemometer…) De gegevens worden verzonden naar de waarnemingspost, waar ze door de meteorologische dienst worden verwerkt en doorgestuurd naar de verschillende diensten: ATS, Weersvoorspelling, Archivering, IRM. 

- MetSysteem
Het  technisch onderhoud van het MetSysteem wordt verzorgd door een ploeg die daarnaast ook verantwoordelijk is voor het onderhoud van de Simulator. Ze bestaat uit zeven personen: Guy De Vos (Diensthoofd), Xavier Schiefer, Peter Bomhals, Alex Bruggeman, Roger Jacquet, Alain Dereydt en Benoit Créteur. Ze zorgen er o.a. voor dat het systeem onder alle omstandigheden operationeel blijft.
Beknopt samengevat is het MetSysteem een informaticasysteem dat meteorologische gegevens verzamelt, verwerkt en doorstuurt voor de aanmaak meteorologische producten. Technisch gezien is het een netwerk van werkstations dat zich uitstrekt tot de regionale luchthavens en dat in verbinding staat met andere spelers binnen de meteorologische wereld (zoals I .R.M. en de Meteo Wing op Belgisch vlak en internationale communicatienetwerken zoals de O.M.M. en de O.A.C.I.) De dienst verzekert het goed functioneren van het netwerk, de servers, werkstations en printers.
Met de toekomstige integratie van steeds meer verschillende meteosystemen (zoals de radarmeteo, het ontvangersnetwerk, enz.) vormt het MetSysteem de ruggengraat van de door de meteodienst gebruikte systemen.

- Radar- en Torensimulator

Bij het ontstaan van Belgocontrol achtte het management een specifieke bemanning voor onderhoud- en herstellingswerken aan de Radar- en Torensimulator niet nodig en vertrouwde het die taken toe aan de medewerkers van de Meteo Applicaties.
Dagelijks verifiëren ze de goede werking van de servers, werkstations en peripherals uit de drie netwerken (First Plus, Comm Plus en Visuals) en de ‘voice recording’. Die systemen zijn verdeeld over 28 posities in de radarsimulator en vier werkposities in de torensimulator.
In tegenstelling tot de ‘First Plus’- en ‘Comm Plus’-netwerken, omvat het Visuals-netwerk meer gesofisticeerde grafische servers en projectoren voor een visualisatie over 270°. Samen geven ze een vrijwel natuurgetrouw beeld van wat de verkeersleiders in de toren  werkelijk zien.
In samenspraak met het ATS Training Centre en rekening houdend met het opleidingsplan, zorgen de technici voor een periodiek preventief onderhoud van de installaties. Onderhoud is ook nodig tijdens een omwisseling van de trainingsgroep omwille van hygiënische redenen (bijv. onderhoud micro’s, koptelefoons...) De ploeg staat altijd paraat om snel op te treden bij defecten. Enkele medewerkers zijn speciaal opgeleid om met behulp van bijhorende OEM-software (Original Equipment Manufacturing) het visuele aspect van de torenpositie aan te passen (bijv. achtergrond, vliegtuigmodellen, grondroutes, enz...).

2. Radar Applicaties

De veertien medewerkers van de sectie Radar Applicaties (Rudy Van Hoof {Diensthoofd}, François Philtjens, Wim Van Hoof, Jean Muylle, Jean-Pierre De Langhe, Thierry Anspach, Claude Massaux, Jean-Marie Dumont, Jean-François Budimlic, Eddy Coosemans, Gert Deronde, Jean-Pierre Fouret, Sébastien Lelangue en Pascal Traets) staan in voor de goede werking en het preventief en correctief onderhoud van de volgende systemen op de luchthaven Brussel-Nationaal:

De Northrop Grumman (ASR-9/MSSR) naderingsradar
Deze naderingsradar bestaat uit een primaire radar en een secundaire monopulsradar (zie kaders). Belangrijkste verschilpunten met de En-route radars van Bertem en Saint-Hubert zijn het radarbereik en de draaisnelheid van de antenne, nodig om gedurende de kritieke fase van de vlucht (landen en vertrekken) regelmatiger over up-to-date informatie te beschikken.
De gecombineerde informatie van de primaire en secundaire radar wordt in een bepaald formaat gegoten en via glasvezelverbindingen beschikbaar gesteld aan CANAC.

De Thales naderingsradar
Die ‘Approach radar’ is een secundaire monopulsradar.

De weerradar
De weerradar maakt deel uit van Radar Applicaties omdat ze werkt zoals een primaire radar, maar op totaal andere frequenties. De radar onderscheidt twee modes: de Intensity mode om de intensiteit van de neerslag te coderen en de Velocity mode voor de detectie van de bewegingssnelheid van de wolken en het onderscheiden van bewegingen naar de radar toe en van de radar weg (Towards & Away). Om de vijftien minuten stuurt de radar volgens een vast patroon een aantal beelden door naar de externe klanten (Meteowing, IRM/KMI). CANAC ontvangt die informatie via het ADIDS-systeem. O/MET is de operator van het systeem en beschikt als belangrijkste gebruiker over verschillende mogelijkheden, zoals het nemen van verticale wolkendoorsneden.

De Cardion grondradar.
De grondradar dient als hulpmiddel voor de luchtverkeersleiders om de bewegingen  van vliegtuigen en voertuigen op het luchthaventerrein waar te nemen en te volgen. Dat verkeer concentreert zich vooral op taxiwegen en landingsbanen. De grondradar is vooral ’s nachts en bij slechte zichtbaarheid onontbeerlijk. In de toekomst komt een nieuw systeem dat een volledige dekking van het luchthaventerrein in alle weersomstandigheden mogelijk maakt.

De TDI (Tranformateur Digital Image)
De TDI voedt de torendisplay met de informatie afkomstig van CANAC in combinatie met de ruwe video afkomstig van de primaire naderingsradar (ASR-9).

Het No-break systeem in de oude terminal (Gebouw 1)
Dat systeem verzekert een ononderbroken stroomtoevoer voor de eigen installaties alsook voor alle voorzieningen in de verkeerstoren.

Het CCTV-netwerk (Closed Circuit Television)
Dit ‘Camera & Monitor’-systeem laat de torenverkeersleiders toe om via beweegbare camera’s bepaalde zones op het luchthaventerrein nader te bekijken. Dat systeem wordt volledig uitgebreid en vernieuwd in het kader van het project ‘Nieuwe Toren’.
De laatste twee systemen maken deel uit van Radar Applicaties wegens historische redenen. De aparte Videodienst van de voormalige Regie dar Luchtwegen ging na de splitsing over naar BIAC. De technici die bij Belgocontrol bleven, kwamen terecht in verschillende diensten. De betrokken installaties ten behoeve van de torenverkeersleiders kregen geen aparte technische dienst en werden toegewezen aan het technisch personeel van de Radardienst.

Radarevaluaties

Dagelijks voeren de radartechnici metingen en controles uit op alle besproken installaties om de kwaliteit te verzekeren en waar mogelijk te verbeteren. Via een elektronisch logboek worden ze ingelogd en via het LAN-netwerk beschikbaar gesteld aan alle teamleden.
Een andere belangrijke taak is het uitvoeren van radarevaluaties via een kwaliteitsanalyse van de radargegevens (zogenaamde plots). Hierbij wordt nagegaan of de parameters voldoen aan de door Eurocontrol opgelegde normen. De evaluatie van de Approach radars te EBBR en de En-route radars te Bertem en St. Hubert gebeuren op zeer regelmatige tijdstippen.
De dienst was recent nauw betrokken bij de vernieuwing van de radars in Saint-Hubert en de installatie van een nieuwe radar in Luik en zal ook haar steentje bijdragen tot de vernieuwing van de radars te Bertem later dit jaar.
Radarevaluaties omhelzen tevens het onderzoek naar incidenten (trouble reports), overgemaakt door de dienst E/E/Canac. De deelname aan de grote projecten ‘Nieuwe Toren’ en ‘Canac Upgrade’ blijft beperkt tot de technische aspecten. Hier werkt de radardienst samen met de Dienst Systemen van de Afdeling Projectontwikkeling. Ze is nauw bij betrokken bij twee belangrijke projecten: de aankoop en installatie van een nieuwe weerradar en het A-SMGCS project.

<Kader1>
Historiek
Hoewel er reeds op het einde van de 19de eeuw experimenten met radiogolven plaatsvonden, werden de eerste radarsystemen pas in de jaren ’30 van de vorige eeuw gebouwd. Radarsystemen bewezen voor het eerst hun nut gedurende de Slag om Engeland in de Tweede Wereldoorlog (1940) met de detectie van Duitse vliegtuigformaties die vanuit het bezette Frankrijk aanvlogen. De eerste radarinstallaties waren groot en nogal primitief, maar al snel kwamen er verbeteringen. Zo ontstond er na de primaire radar de secundaire radar (IFF genaamd, d.i. Identification Friend or Foe), die bevriende vliegtuigen kan onderscheiden van vijandelijke. Na de Tweede Wereldoorlog stond die technologie ter beschikking van de burgerluchtvaart. Met name de secundaire radar werd sterk verbeterd en er werden ook nieuwe radartoepassingen bedacht.
De eerstvolgende fundamentele verbetering waarbij Belgocontrol betrokken is, betreft de Mode S(elect) radar, een sterk geëvolueerde secundaire radar die –in tegenstelling tot de klassieke secundaire radar– vliegtuigen selectief kan ‘ondervragen’. Dat type radar maakt ook de uitwisseling van bidirectionele informatie mogelijk tussen het radarstation en het vliegtuig. Dat zal de veiligheid van het luchtverkeer, de efficiëntie van de luchtverkeersleiding en de beschikbare capaciteit in het luchtruim ten goede komen.

<Kader 2>
Werking van een radar
Het woord radar is een acroniem voor “radio detection and ranging”. In de burgerluchtvaart onderscheiden we twee types: de primaire en de secundaire radar.
De primaire radar heeft gewoonlijk een reflectorantenne (in paraboolvorm) die met tussenpozen een energiepuls uitzendt. Wanneer een puls een object treft, weerkaatst het objectoppervlak de erop invallende energie, waarvan normaliter een (gering) deel in de richting van de antenne. De (schuine) afstand tot het object wordt bepaald door het meten van de tijd die de pulsen nodig hebben om de heen- en terugweg af te leggen. De positie van de antenne bij ontvangst van de weerkaatste energiepulsen geeft de richting van het object aan. Op die manier wordt de positie (in twee dimensies) van het object bepaald.
Sommige primaire radars zijn niet alleen in staat om de aanwezigheid en de positie van een object te bepalen, maar ook zijn snelheid (in feite alleen de radiale component). Toepassing hiervan is de weerradar. Een andere toepassing maakt zelfs alleen maar gebruik van de snelheid van het gedetecteerde object: de politieradar !
De secundaire radar (SSR) heeft een vlakke antenne en zendt met tussenpauzen een vast aantal pulsen uit. Transponders aan boord van de vliegtuigen detecteren die pulsen en antwoorden in de vorm van een pulstrein. In die pulstrein kunnen de identiteit, de hoogte of de alarmmeldingen gecodeerd worden. Daarnaast berekent de SSR ook de (schuine) afstand en de azimuth (hoekpositie t.o.v. het noorden) van het vliegtuig. De SSR is dus in staat om een 3D-positie van een vliegtuig te bepalen.

 

25-08-07

INCERT : Een nieuw kwaliteitsmerk voor elektronische inbraakbeveiliging

Deze tekst werd geschreven in mei 2005 in opdracht van Publitec voor Group 4 Securicor


INCERT : Een nieuw kwaliteitsmerk voor elektronische inbraakbeveiliging

Door de vrijmaking van de Belgische markt is er zeker geen keuzegebrek aan inbraakdetectiesystemen, maar niet alle installateurs bieden een voldoende kwaliteitsservice of kiezen voor de juiste systeemcomponenten. Gelukkig is er nu INCERT,  een kwaliteitslabel voor elektronische beveiligingsproducten en -diensten dat consumenten en bedrijven voldoende waarborgen biedt voor een betrouwbaar beveiligingssysteem. 

Alleen producten en beveiligingsondernemingen die naar behoren gecertificeerd zijn, mogen het kwaliteitslabel INCERT gebruiken. INCERT is voor de klant een waarborg dat de beveiligingsonderneming degelijk materiaal installeert, aangepast aan het te beschermen risico. Bovendien garandeert INCERT een kwaliteitsvolle dienstverlening. INCERT gecertificeerde componenten en beveiligingsondernemingen (waaronder Group 4 Technology) staan onder voortdurende controle. Bovendien is het certificaat beperkt in de tijd. Het Merkcomité van INCERT werkt onder de vleugels van het Belgisch Elektrotechnisch Comité en telt onder meer vertegenwoordigers van verzekeringsmaatschappijen en –makelaars; consumentenverenigingen; gespecialiseerde studiebureaus; certificatieorganismen, inspectie-instellingen en laboratoria; alle beroepsverenigingen van beveiligingsondernemingen en invoerders/fabrikanten en, last but not least, de fabrikanten, invoerders en beveiligingsondernemingen die gekozen hebben om zich te houden aan de plichten opgelegd door het kwaliteitslabel.

Duidelijkheid en gewaarborgde kwaliteit

Wat houden die plichten in? Eric Steppe, Division Manager Private Alarms Group 4: “Met INCERT is voor het eerst duidelijkheid geschapen over de regels die moeten gerespecteerd worden inzake de risicoanalyse van de situatie bij de klant, de voorgestelde oplossing en de objectieve informatie die daarover moet gegeven worden. Vroeger heerste een beetje de wet van de jungle. Er was wel het BVO-certificaat van de Beroepsvereniging van Verzekeringsondernemingen, maar dat was optioneel en gaf de klant onvoldoende duidelijkheid. Installateurs die gekozen hebben voor INCERT, moeten de regels van het keurmerk altijd respecteren. Ze kunnen enkel gebruikmaken van erkend materiaal en moeten werken volgens geijkte procedures. Dat geeft de klant van in het begin een duidelijke leidraad over de manier waarop een erkende installateur de risicoanalyse aanpakt en de informatie die hij moet verstrekken. De klant kan dus gemakkelijker vergelijken en is bovendien zeker dat de installatie gebeurt via een bepaalde kwaliteitsprocedure.”
Merken we nog op dat INCERT enkel geldt voor inbraakdetectie, niet voor andere technieken zoals camerabewaking, toegangscontrole of branddetectie.

<Kader>

Een goed beveiligingssysteem met betrouwbare componenten

Gecertificeerde beveiligingsondernemingen:


  • - hebben minimum drie jaar ervaring en staan onder voortdurende controle
    - maken een risicoanalyse volgen een vast stramien
    - geven een duidelijk en gedetailleerd bestek
    - gebruiken enkel componenten die zowel op technisch vlak als qua gebruiksgemak een gecertificeerd kwaliteitsniveau hebben
    - installeren volgens een gedetailleerd uitgeschreven lastenboek
    - beschikken over een bedrijfsvoering die op alle vlakken op niveau staat (administratieve organisatie,logistiek en voorraadbeheer, technische vorming, permanentie na verkoop…)
    - verstrekken de klant alle nodige uitleg en documentatie
    - bevestigen schriftelijk dat de installatie beantwoordt aan het INCERT-lastenboek (nuttig voor de verzekeraar) 

Voor meer informatie: www.incert.be